Categorieën
Preek

Daar bij de Jordaan…

Vandaag is de tweede zondag in Advent. Op het leesrooster staan o.a. Jesaja 40:1-11 en Johannes 1:19-28. Ik hield deze preek:

Stel je bent er bij, bij dat gesprek bij de Jordaan, wat doe je, wat zeg je? Ik denk niet dat iemand het prettig vindt wat daar gebeurt. Je ziet Johannes staan tegenover zo’n hele groep. Eén tegen de rest. En dan, zo’n theologische delegatie uit Jeruzalem die Johannes komt controleren, het doet denken aan tijden dat ouderlingen nog op huisbezoek kwamen om te horen of het gezin nog wel de rechte leer was toegedaan en godvruchtig leefde. En geestelijke controle werd zomaar geestelijke dwang.

‘Wie bent u?’ vragen ze. Terwijl ze allang gehoord hadden wat Johannes doet en zegt. En ze kennen Johannes nota bene. Ze weten heel goed wie Johannes is. Johannes was de zoon van een priester, van Zacharias. En zijn moeder Elisabet stamt af van de eerste hogepriester Aäron nota bene.

Johannes zal de tempel misschien wel van binnen gekend hebben. Aan de hand van zijn vader zijn meegevoerd. Zag Johannes daar de misstanden? Dat de tempel geen gebedshuis, maar een handelshuis geworden was? Dat de geestelijk leiders die zouden moeten zorgen voor de zielen van de mensen, tot politici geworden waren die vooral zorgden voor zichzelf?

Ver bij de tempel vandaan, bij de Jordaan, roept Johannes de Doper op tot bekering. Keer je om. Weid je aan God. Laat je hebzucht en je egoïsme varen. Maak je vrij van alles wat jou in zijn greep heeft.

En Johannes doopt de mensen die zich door hem laten aanspreken. Ze wassen zich schoon, letterlijk. En meer dan dat. Ze gaan onder in de rivier. Het water sluit zich boven hen. Even zijn ze er niet meer. Ten onder gegaan in het water. Even in een wereld waarin een mens niet kan leven. En daar onder water sterf je. Daar sterft je egoïsme, je op jezelf gerichte ik. Het ik wat alleen maar ik zegt.

Hoestend en proestend kom je boven. Je bent er weer. Of nee, er komt iemand anders boven dan dat er onder ging. Een nieuw ik. Een ik wat ook jij kan zeggen. Een ik wat Jij zegt tegen God. Een ik wat zich vrij voelt om dat te doen. 

Dat is wat daar bij die Jordaan gebeurd. Mensen keren er herboren van terug. En net als Johannes zien ze de misstanden. En ze gaan zich vragen stellen, als waarom voel ik me bij die vreemde man in de Jordaan dichter bij mijzelf en bij God dan bij onze geestelijken? 

De tempelautoriteiten houden niet van zulk soort vragen. En dus is het tijd om Johannes te confronteren. Priesters en Levieten komen. En het gesprek staat dus meteen onder spanning. En wil je daar bij zijn? Misschien wel niet.

Aan de andere kant, is het nu zo onredelijk wat ze aan Johannes vragen? ‘Wie bent u?’ Waarom zegt hij niet gewoon: ‘Ik ben Johannes, de zoon van Zacharias en Elisabet.’ Waarom al die ontwijkende antwoorden. Ik ben de Messias niet. Ik ben Elia niet. Ik ben de profeet niet. Sommigen in die gespreksgroep vonden dat Johannes het gesprek er ook bepaald niet makkelijker op maakt. En ze hebben gelijk.

Als Johannes dan eindelijk zegt wie hij wel is, citeert hij Jesaja. Hij zegt dat er ook bij. ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer,” zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’ Ja, natuurlijk wisten die priesters en Levieten dat Jesaja dat gezegd had. Iedere Israëliet wist dat. Jesaja 40 kende iedereen, tot het kleinste kind. Jesaja 40 is een kerntekst in het geloof van Israël. 

‘Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.’ Met deze woorden begint een nieuw deel in het boek Jesaja, maar dat niet alleen. Deze woorden horen ook bij het begin van een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Israël. Het volk was in ballingschap naar Babel weggevoerd. Weg van hun land, weg van hun tempel. De toekomst verloren, God buiten beeld. 

En dan opeens spreekt Hij weer. En dit is wat Hij zegt: ‘Troost, troost, mijn volk.’ Het is genoeg geweest. Ik zal jullie weer bij elkaar brengen, en terug naar jullie land. Ik zal weer jullie God zijn en jullie als een herder leiden. Het zal er weer zorgzaam aan toe gaan in de communicatie tussen God en zijn mensen. 

Iedereen kent Jesaja 40. En Johannes de Doper durft wat daar staat zomaar op zichzelf te laten slaan. ‘Ik ben de stem die roept: Maak recht de weg van de Heer.’ Maak ruim baan voor Hem. Laat hem toe. Zorg dat niets tussen jullie instaat. Ruim het op. De weg die onbegaanbaar was geworden, overwoekerd door wat niet al. De weg waar de tijd zoveel kronkels in heeft gelegd. Maak recht de weg van de Heer!

Hoe staan we er voor? Hoe staan we voor God? Wat hebben wij op te ruimen? Wat staat er nog in de weg? ‘Laat elke vallei verhoogd worden en elke berg en heuvel verlaagd.’ Welke diepe dalen en hoge bergen houden God tegen? Het zijn niet alleen de diepe dalen waar over wordt gesproken. Het zijn niet alleen onze dieptepunten die tussen ons en God in kunnen staan. Ook de bergen staan in de weg. Ook ons succes, onze voorspoed, onze welvaart kan tussen ons en God instaan. En misschien nog wel hardnekkiger dan al het andere.

Johannes weet er van. Hij kent de rijkdom die de tempel zo corrupt maakt. En hij kiest er voor om in Betanië te dopen. Betanië betekent ‘huis van de arme’. En dat is niet toevallig natuurlijk. Johannes biedt een uitweg. Je kunt er vanaf. Maar je moet wel kopje onder durven gaan. Loslaten, je dalen en je bergen, je mislukkingen en je successen, je verlies en je welvaart. Laat het kopje onder gaan, en je zult je herboren voelen.

Stel je voor dat je er bij was. Bij dit gesprek tussen Johannes en die geestelijken uit Jeruzalem. Hoe zou je het thuis navertellen? De meesten zullen zeggen dat ze een vreemd gesprek hadden gehoord. De een heeft wat meer sympathie voor Johannes, de ander vindt dat hij misschien ook wel wat meer mee had mogen werken. 

Voel je je vooral toeschouwer, of gebeurt er ook iets met jou? Wordt er iets in jou aangesproken? Het kan zomaar. Want Johannes heeft het er over dat er nog iemand komt. Een bijzonder iemand. ‘Ik ben het niet eens waard de riemen van zijn sandalen los te maken.’ zegt Johannes met Oosterse overdrijving. En zo schept hij hoge verwachtingen.

Het is Jezus waar Johannes zo hoog van opgeeft. Het is de volgende dag al dat Hij verschijnt. En Johannes spreekt dan de grote woorden: ‘Zie, het lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt.’ En het zal blijken dat Jezus dat op een heel andere manier doet dan Johannes verwachtte. Niet door de Romeinen te verjagen en een tempelrevolutie te veroorzaken. Dat is wat Johannes hoopte. ‘De bijl ligt al aan de wortel van de boom.’ zo zei hij. En ergens kon Johannes niet wachten totdat de bijl daadwerkelijk het hout zou worden ingedreven. Laat het maar gebeuren, hak die hele hypocriete samenleving maar om.

Maar de enige die omviel was Jezus zelf. Hij ging ten onder aan de macht en de welvaart, aan de bergen en de dalen. Hij is zo anders dan onze verwachtingen. Maar juist zo effent hij de weg naar God. Maak recht de weg van de Heer. Dat kan eigenlijk alleen maar op de manier van Jezus. Door zelf telkens klein te worden. Door niet de weg van de minste weerstand te kiezen, maar de weg van de minste mensen. 

Jezus komt bij Johannes in Betanië, in het huis van de arme mensen. Daar weet hij zich op zijn plek, bij arme mensen. Letterlijk arme mensen, figuurlijk arme mensen, dat maakt niet uit. Wie zichzelf tegenkomt als arm mens, wie door zijn welvaart heen de armoede voelt prikken, wie weet dat als het er op aankomt je zo weinig overhoudt, daar voelt hij zicht thuis.

Johannes zegt iets intrigerends over Jezus. Hij zegt: ‘In uw midden is iemand die u niet kent, hij die na mij komt.’ ‘Iemand die u niet kent.’ Dat zegt Johannes voor mijn gevoel in het algemeen. Jezus Christus is in ons midden als iemand die wij niet kennen. We herkennen hem niet, zien hem niet staan. Hij kan zomaar bij ons zijn, terwijl wij helemaal niet aan hem denken of wij hem over het hoofd zien. Het kon wel eens heel erg het geval zijn vandaag de dag. Het probleem is niet dat God niet bestaat of dat Jezus niet de levende Heer is, het probleem is dat wij Hen niet zien.

Wie Jezus wil zien, moet naar Betanië, naar het huis van de armen. Wie Jezus Christus wil leren kennen moet niet als een grote meneer in een leunstoel gaan roepen dat hij hem nog nooit ontmoet heeft. Dat klopt namelijk. Jezus is elders te ontmoeten. Op de plek waar mensen hun armoede zijn gaan zien. In de kring van mensen die elkaar herkennen en erkennen als armen van Geest. 

Dat is een hele opgave en het lukt lang niet altijd. Dan beginnen wij elkaar weer te vragen: ‘Wie ben jij eigenlijk?’, zoals die priesters en Levieten tegen Johannes zeiden. Maar het lukt soms ook wel, arm zijn. Ik heb niet veel. Ik heb geen gelijk. Ik heb geen absolute zekerheid. Ik begrijp veel niet, ook mijzelf niet. Ik heb ook geen volmaakt geloof. 

Ik weet dat ik ten onder moet gaan. Ten onder in het water. Maar laat het maar gebeuren. Want zo ontmoet ik hem die midden onder ons staat mij die wij niet kennen. Hij laat zich kennen aan wie met hem de weg van de ondergang gaat. Ondergaan in het water. En dan opstaan tot een nieuw leven. En dan zingen: Wees verheugd, van zorgen vrij. God die wij aanbidden is ons rakelings nabij, wonend in ons midden. Rakelings nabij. Als je maar durft ondergaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s