Categorieën
Preek

‘Komt allen…’

Vandaag preekte ik (voor het laatst) in Carnisse Haven, het kerkgebouw van de Protestantse Gemeente Barendrecht in Carnisselande, onze VINEX. Het ging over een heel bekende Bijbeltekst, Matteüs 11:28. We lazen Matteüs 11:25-30.

Het kan verkeren. Vorige week een lezing uit Matteüs vol weerbarstigheid, vandaag uit het zelfde evangelie een totaal tegenovergestelde lezing. Waar collega De Wit vorige week zijn preek begon met het benoemen van de vervreemding die Jezus’ woorden oproepen, beginnen we nu bij de vertrouwdheid ervan. ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven.’ 

Als ik de tekst uit mijn hoofd citeer, citeer ik niet de NBV maar een oudere vertaling. Het laat zien dat de tekst al heel lang in ons collectieve christelijke geheugen zit. Vergelijk het maar met het Onzevader waarbij we ook vasthouden aan een oudere vertaling, want die kennen we. ‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven.’ Het is een tekst voor op een tegeltje. Een meme. Iets voor op een poster, of een t-shirt, of een mok. 

Het is niet moeilijk te begrijpen waarom deze tekst zo bekend is geworden. Vermoeidheid is van alle tijden. En het verlangen naar rust ook. We zingen de eeuwenoude woorden van Psalm 42 nog altijd met veel gevoel mee: ‘Hart onrustig, vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel…’ En wie kent niet de opening van de Belijdenissen van Augustinus: ‘U spoort de mensen aan dat zij er hun grootste vreugde in vinden om U te loven. Want U hebt ons gemaakt voor U en onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U.’ 

Ook in onze tijd weten wij maar al te goed wat vermoeidheid is. We zijn met z’n allen zo moe. Coronamoe, racismemoe, demonstratiemoe, burn-out. De Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han heeft het over ‘de vermoeide samenleving’, in het Duits Müdigkeitsgesellschaft. Hij stelt dat het vroeger in samenlevingen vooral ging om wat moest en later ook om wat mocht, maar dat het vandaag de dag vooral gaan over kunnen. Wij kunnen bijna alles. De mogelijkheden zijn eindeloos. Maar dat alles kan, betekent ook dat alles moet. Want als alles kan en je doet het niet of het lukt je niet, dan is het je eigen schuld. Heel geniepig betekent de vrijheid dat alles kan de onvrijheid dat alles moet. Wij worden de slaven van die eindeloze mogelijkheden. Je moet én een goede ouder zijn én carrière maken én betekenisvolle vriendschappen onderhouden én een gezond lichaam hebben én je wilt natuurlijk ook spiritueel bijblijven én vult u maar in… En daar worden wij met z’n allen zo vreselijk moe van.

Ook in de kerk kan de vermoeidheid toeslaan. Dat je bidt, maar het lijkt niet verder te komen dan het plafond. Dat we zo bezig moeten zijn met de regeltjes dat de lol er eigenlijk wel een beetje af is. Vanwege ontkerkelijking die altijd maar doorgaat. Dat er mensen zijn die je ziet afhaken. En we willen beter communiceren. Aantrekkelijker zijn voor jongeren. Missionair zijn. Relevant. Eigentijds. En toch… Lukt dat allemaal? Geloven we het zelf allemaal nog?

En dan is er nog de vermoeidheid van verdriet en rouw. De vermoeidheid van ziek zijn of van zorgen. De vermoeidheid omdat je lichaam niet meer wil, of omdat de gaten in je geheugen steeds groter worden.

‘Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.’ Ja, graag. Als dat zou kunnen… Doe ons wat rust!

Misschien ook denk je wel heel iets anders. Misschien voel je je totaal niet moe. Ben je in de kracht van je leven, ligt de wereld aan je voeten, the sky is the limit. Misschien erger je je ook aan Jezus’ woorden. Het christelijk geloof is toch niet alleen voor losers? Als een pleister die past op elke wond. Ik kan dat gevoel begrijpen. Zo’n bekende tekst is al snel te zoetsappig. 

‘Komt allen tot Mij…’ Als we die woorden van Jezus nu een van dat tegeltje afhalen en terugzetten op de plek waar ze vandaan komen. Terug in Matteüs 11. Terug in die eerste eeuw in Palestina. Hoe klinken die overbekende woorden dan? Anders? 

Laten we eerst eens kijken naar het moment waarop deze woorden worden uitgesproken. Onze lezing begint met de woorden ‘In die tijd…’ en dat roept de vraag op: welke tijd? Als we teruglezen in Matteüs 11 zien we dan Jezus een turbulente tijd doormaakt. Hij ondervindt veel tegenstand. De belangrijke plaatsen in Galilea Chorazin, Betsaïda en Kafarnaum wijzen Hem af. Terwijl Hij juist daar wonderen deed, Gods nieuwe wereld in woord en daad zichtbaar maakte. Jezus’ woorden over de wijzen en verstandigen tegenover de eenvoudigen wijst erop dat die plaatsen zich te goed voelden voor Jezus. Ze vonden zichzelf ontwikkeld, en Jezus primitief. Een beetje zoals er vandaag de dag naar het christendom wordt gekeken. Het overkomt Jezus ook. En dan zijn er nog die leerlingen van Johannes die de bange vraag van hun meester overbrengen: ‘Bent u degene die komen zou, of… hebben wij een ander te verwachten?’ 

Jezus’ woord tot de vermoeiden en belasten klinkt dus in een conflictueuze en pijnlijke situatie. Jezus ondervindt tegenstand in zijn geboortestreek nota bene en degene die het meest op Hem lijkt, weet niet wat hij van Hem denken moet. Je zou bijna denken dat Jezus zichzelf bedoelt als Hij het heeft over vermoeid en belast zijn. Het moet Hem hebben uitgeput en op Hem hebben gedrukt. Hij weet waar Hij het over heeft in ieder geval.

Een tweede aanwijzing over de eigenlijke betekenis van Jezus’ woord tot de vermoeiden en belasten vinden we in de woorden die er op volgen. ‘Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

Een juk is een stuk hout dat je op je schouders legt en waarmee je iets zwaars kunt dragen. We kennen allemaal de plaatjes die vrouwen in klederdracht met zo’n bewerkt stuk hout met twee emmers eraan. Met zo’n juk kun je iets zwaars makkelijker tillen. Veel makkelijker dan dat je het in je hand houdt. Je kunt bij een juk ook denken aan een span dieren. Twee ossen of twee paarden. Als je die samen een kar of een ploeg wilt laten trekken gebruik je ook een juk. 

In Jezus’ dagen wordt een juk ook metaforisch gebruikt. Dan gaat het over het juk van de Thora. Gods woorden bestuderen en in de praktijk brengen is als het dragen van een juk. Het is een pittige klus, maar het is te doen. Je moet je schouders eronder zetten. Geloven gaat niet vanzelf. Het vraagt inzet. Je moet er een beetje stoer voor zijn. En je een volhouder. De Thora vraagt om levenslang leren, je bent nooit uitgeleerd, elke religieuze jood zal dat bevestigen.

Jezus zegt: ‘Neem mijn juk op je en leer van mij.’ Jezus werpt zich op als leraar, als een leraar aan wie je je gerust kunt toevertrouwen. Dit is geen leraar die je uitput of overvraagt. Nee, Hij geeft rust. Jezus leert ons God Woord op een manier die ons niet vermoeid en belast, maar ons juist geneest daarvan.

Want hij is ‘zachtmoedig en nederig van hart’. Het zijn woorden die aan de zaligsprekingen doen denken. ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn… Gelukkig de zachtmoedigen…’ (Matteüs 5:3,5) Jezus gebruikt hier dus woorden die Hij eerder voor zijn volgelingen gebruikte. Hij is dus een leraar die lijken wil op zijn leerlingen. En die zijn leerlingen op Hem wil laten lijken. Hij is vertrouwd met onze vermoeidheid en belasting. En Hij wil ons vertrouwd maken met zijn manier van leven. Hij wil onze manier van leven worden. 

Zou dat misschien de rust zijn die Hij geeft? Dat Hij zich niet te goed voelt om op ons te lijken en dat Hij ons zelf voorgaat op de weg die Hij wijst? Zijn juk is zacht en zijn last is licht. Het ligt niet zwaar en pijnlijk op je schouders en je vertilt je er ook niet aan, je zult er niet onder bezwijken.

Het vraagt wel om je toewijding en betrokkenheid. ‘Komt allen tot Mij…’ is niet maar een aai over de christelijke bol. Het is een roep om je schouders eronder te zetten. Alleen wie het juk van Gods goede Woord op zich neemt, ontdekt dat er dan een andere last van de schouders valt. De last van dat alles kan en dus eigenlijk ook niet. De last dat jij het helemaal moet maken, of anders heb je gefaald. De last dat je alles eruit moet halen. Onder het juk van de Thora ontdek je dat niet alles kan, dat er grenzen zijn en dat wie vrijwillig die grenzen respecteert ruimte vindt om te leven.

Het christelijk geloof is niet alleen voor losers. Ja, dat ook. Jezus werd ook een loser, daar voelde Hij zich niet te goed voor. Maar het geloof is voor ieder mens die zich door Jezus laat uitdagen rust te vinden in een leven in de ruimte die God geeft. Wil je horen bij de wijzen en verstandigen die zich daar te goed voor voelen, of kies je voor de eenvoud? Je moet er een beetje stoer voor zijn, maar het geeft wel rust. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s