Categorieën
Preek

Het volk van God

Deze zondag preekte ik in de Dorpskerk in Barendrecht over Exodus 19 waarin we horen dat het volk Israël drie maanden na de uittocht God ontmoet bij de berg Sinaï.

“Het voelt vreemd, op een bijna lege Dam, maar ik weet dat u, dat jij deze herdenking meebeleeft en dat we hier samen staan…”

Afgelopen dinsdag sprak de koning ons toe. Vanaf een lege Dam in Amsterdam richtte hij zich tot ons bij de nationale herdenking. En terwijl op het winderige plein zijn lange haar – zelfs een koning gaat nu niet naar de kapper – steeds verder uit model raakte, hield hij een indrukwekkende toespraak over wat het betekent om in vrijheid te gedenken.

Heel bijzonder vond ik hoe koning Willem-Alexander zijn overgrootmoeder niet afviel en toch van harte erkende dat haar zwijgen met name over het lijden van joodse Nederlanders pijn deed en doet. Juist in dat heel persoonlijke vertegenwoordigde de koning ons allen. Juist nu haast geen onderdaan op de Dam aanwezig was, voelden wij door zij woorden grote verbondenheid. Bij zo iemand willen wij horen. Iemand die durft te benoemen zonder afstand te nemen. Wij willen wel een volk zijn dat zo eerlijk en zo transparant is over onze eigen geschiedenis. 

Precies drie maanden na de uittocht zijn de kinderen van Israël ook een volk geworden. Ze zijn bevrijd, ze hebben feest gevierd, ze hebben hongergeleden, ze hebben gemopperd, ze zijn aangevallen, ze hebben zich verdedigd en ten slotte hebben ze zich georganiseerd. Ze hebben een gezamenlijke geschiedenis en ze hebben een leider, Mozes. De bevrijdde slaven zijn een volk geworden. 

En nu zijn zij klaar voor de volgende stap. Hoog rijst de berg Sinaï op uit het woestijnlandschap. En daar zal God zijn volk ontmoeten. Hij zal bij hen komen. Hij zal zijn grootheid tonen. 

Heel Exodus 19 zindert van de spanning hoe dat kan. Hoe kan de heilige God wonen bij ons mensen? Het is de grote vraag van de Bijbel. Hoe kan God bij ons komen?  Het kan omdat God het doet. De werkelijkheid van Gods openbaring schept de mogelijkheid. 

God komt tot Israël in de woestijn. Hij zal hun God zijn en zij zullen zijn volk zijn. Zij zullen Hem dienen, zij en niemand anders. De bevrijdde slaven zijn niet een volk, maar hét volk, het volk van God.

Dat is ook wat dit volk tot een volk maakt. Het is niet een gedeelde geschiedenis, een gemeenschappelijke taal, een bepaald grondgebied of een sterke leider wat dit volk tot een volk maakt. Dit volk wordt een volk doordat God het roept. ‘Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk,’ zegt de HEER. Het dienen van God maakt Israël tot Gods volk.

Israël stelt haar verhaal op schrift als het heel anders is geworden. Als hoog boven de ballingen in Babel een heidense tempel oprijst, gewijd aan een godin van lekker en leuk. En hun eigen God? Hun God die komt? Ze hebben slechts zijn woorden nog. Ze kennen Hem van horen zeggen.

De ballingen nemen op zich dan maar zo Gods volk te zijn. Als volk dat het uithoudt met de woorden van God. Als volk dat zo gestalte geeft aan haar roeping ‘een koninkrijk van priesters’ te zijn, ‘een heilig volk’ (vers 6). Als volk dat hoop houdt op de komst van God. Als volk dat weet dat als God komt, je wel afstand wilt houden. Als volk dat als Mozes heen en weer pendelt – wat een uithoudingsvermogen! – tussen hemel en aarde. Als volk dat weet van de berg van God in de woestijn van het leven.

We leven in de Paastijd. De leerlingen van Jezus hebben een vergelijkbare ervaring gehad als Israël in de woestijn. Ze gebruiken Exodustaal om uit te drukken wie Jezus was en is. ‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zij grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.’ God is gekomen. De beloften zijn vervuld.

God is bij ons gekomen, en dat maakt ons zijn volk. Wij zijn het volk van de Opgestane. Het volk van de levende Heer, die bij ons is, alle dagen. Wij zijn het volk dat vasthoudt aan Jezus’ woorden. Het volk dat Hem navolgt in zijn daden. Want bij zo iemand willen wij horen.

In zijn eerste brief gebruikt de apostel Petrus daarom dezelfde woorden die de HEER tegen Israël spreekt voor de christelijke gemeente. ‘Een heilige priesterschap.’ ‘Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn.’

Priesters zijn pendelaars. Voor God vertegenwoordigen zij de mensen, voor de mensen vertegenwoordigen wij God. Zo zijn ook wij gemeente van Christus. Niet voor onszelf, maar voor de hele wereld. In haar gebed brengt de gemeente de wereld bij God en midden in de wereld richt de gemeente tekenen op van Gods aanwezigheid.

En ook als God ver weg lijkt, als de Heer vertoeft, houden wij vol. Wij houden de lofzang gaande, zeg ik op deze zondag Cantate, zelfs als we niet samen kunnen zingen. Het nieuwe lied tegen het oude liedje in. ‘Hij komt, Hij komt!’ 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s