Categorieën
Preek

Op de tweesprong

Vandaag preekte ik over een gedeelte met misschien wel de meest weerbarstige Bijbeltekst die er is (Exodus 4:18-31).

In het Nederlands Dagblad werd onlangs weer eens geprobeerd een discussie aan te zwengelen over het gebruik van leesroosters in de eredienst. Zoals bij veel discussies leverde dit vooral een herhaling van zetten op. De vrijgemaakte collega die de discussie aanzwengelde was duidelijk ook niet al te goed op de hoogte van de achtergronden en praktijk van het gebruik van leesroosters. Een typisch geval van ‘niet gehinderd door enige kennis van zaken’. Maar goed, het vulde de kolommen.

Het voornaamste bezwaar dat tegen het gebruik van leesroosters werd ingebracht, was dat leesrooster weerbarstige teksten overslaan. ‘Ze hebben nogal de neiging dingen weg te laten.’ Hapsnap door de Bijbel, werd het genoemd. 

Dat leesroosters niet willekeurig zijn samengesteld en lastige teksten niet omzeilen, blijkt vanmorgen wel. Als er toch een tekst is die je zou willen overslaan dan toch die duistere passage uit onze lezing vanmorgen.

‘Onderweg, toen Mozes en de zijnen ergens overnachtten, kwam de HEER op hem af en probeerde hem te doden.’ (Exodus 4:24) God die Mozes – die Hij nota bene net op pad heeft gestuurd om zijn volk te bevrijden – probeert te doden. God die zijn knecht naar het leven staat. Dat kan dus gebeuren, dat je God tegen hebt, dat Hij komt om je te doden.

De schrijver Maarten ’t Hart heeft meermalen gezegd hoe deze tekst hem als jongen kwelde. In zijn roman Het woeden der gehele wereld verwerkte hij dit autobiografische element. Hoofdpersoon Alexander heeft het ook moeilijk met deze tekst. Hij vreest dat God het ook op hem voorzien heeft. De vraag kwelt hem.

’t Hart vond troost in de muziek, met name in die van Bach. De God die door die muziek werd opgeroepen verjoeg het beeld van de God die Mozes zocht te doden, zo beschreef hij dat.

Nu kennen we Maarten ’t Hart inmiddels. Ook hij is een voorbeeld daarvan dat wanneer je maar vaak genoeg iets roept, je uiteindelijk een karikatuur van jezelf wordt. Zijn badinerende opmerkingen over geloof en godsdienst zijn inmiddels alleen nog maar leuk voor wie daar toch al afscheid van nam.

Nu kun je over Exodus 4 ook lekker badinerend doen. Geloven in een god die zijn eigen profeet doodt? Wat is dat voor bloeddorstige sacherijn? Een moordlustige woestijndemon, die als je niet oppast je een mes in je rug steekt. Geloof jij daarin? Is dat jouw god?

Aan de andere kant zit er ook iets van een eerlijk atheïsme in zulk soort vragen. We zijn misschien wel zo vertrouwd met de Bijbel dat we de ruwheid en onaangepastheid ervan niet meer opmerken.

De tekst zelf is ook ruw, dubbelzinnig. NBG-51 laat dat beter uitkomen dan NBV. Laten we het nog eens langslopen.

Mozes gaat op weg naar Egypte. Eindelijk, mag je wel zeggen. Echt enthousiast had de profeet niet gereageerd op zijn roeping. Tot vier keer toe maakte Mozes tegenwerpingen toen God hem bij de brandende braamstruik riep. ‘Ze zullen met niet geloven.’ ‘Wie ben ik dat ik dit doen mag?’ ‘Ik ben niet zo’n prater.’ ‘Stuur toch iemand anders.’ Maar zoals dat gaat met een roeping, je moet doen wat je moet doen. Mozes komt er niet onderuit. En dan gaat hij.

Maar hij gaat niet alleen. Vrouw en kinderen gaan mee. Mozes zegt tegen zijn schoonvader dat hij zijn broeders wil opzoeken. En daar kan Jethro inkomen. Hij zal zijn dochter en kleinkinderen missen, maar ja, als een man terug wil naar zijn broeders… ‘Ga in vrede.’ Een familiebezoek, waarom niet? En zo lijkt het er op dat Mozes nog altijd niet volmondig ja zegt tegen zijn roeping. Het is veelzeggend dat er in vers 20 staat dat hij eerst zijn vrouw en zonen neemt en daarna pas de staf van God, de stok die bij zijn roeping bij de brandende braamstruik zo’n belangrijke rol had gespeeld. ‘O ja, laten we die ook meenemen.’ Zoals je voordat je de deur dichttrekt even controleert alsof je alles hebt. ‘De staf van God, bijna vergeten.’

Het is daarom dat God Mozes nog eens herinnert aan zijn taak. Dit is geen familieaangelegenheid, dit is jouw roeping met het oog op mijn volk. Je gaat niet terug naar je broeders, je moet naar de farao. En vergis je niet, hij zal weigeren. Een roeping brengt altijd confrontatie met zich mee. Mozes moet farao de oorlog verklaren met de woorden: ‘Mijn zoon, mijn eerstgeborene, is Israël!’

De vraag is nu, hoe we vers 23 moeten lezen. De Nieuwe Bijbelvertaling laat dit vers aansluiten bij het voorgaande vers. Dus gericht aan de farao. God bedreigt de eerstgeboren zoon van de farao en zo lijkt dit vers een voorschot te nemen op de tiende plaag, de dood van alle eerstgeborenen in Egypte en inderdaad ook die van de farao. Maar de Nieuwe Vertaling laat het terecht meer in het midden, want je kunt Gods dreigement ook als gericht aan Mozes opvatten. ‘Als jij mijn volk, mijn eerstgeborene, niet laat gaan, dan gaat jouw eerstgeborene eraan.’ 

God zoekt in vers 24 dan ook niet Mozes te doden, maar zijn zoon, zijn eerstgeborene. Die ‘hem’ is niet Mozes, maar zijn zoon. Dat maakt het natuurlijk niet minder huiveringwekkend, God die een mens zoekt te doden, maar het maakt het wel begrijpelijker. 

God zoekt Mozes’ zoon te doden. De rabbijnen wijzen erop dat er staat dat God hem ‘zoekt’ te doden. Als God zou willen zou Hij hem zonder meer kunnen doden. God lijkt zich nog terug te houden. De mogelijkheid tot bekering staat nog open. Alsof God de dood niet wil, hoopt dat er nog iets tussenkomt. God grijpt naar zijn zwaarste dreigement, maar hoop dat Hij het niet hoeft uit te voeren.

Die geschiedenis in die herberg lijkt duidelijk te willen maken aan Mozes dat het van tweeën één is. Als Mozes Gods eerstgeborene niet uitleidt, dan zal Gods eerstgeborene Israël sterven in Egypte. Daarom zal zijn eerstgeborene het niet overleven als hij nu niet gaat doen wat hij moet doen. Of Mozes volgt zijn roeping, of hij staat aan de kant van de farao, inclusief de gruwelijke gevolgen daarvan. Die herberg staat aan de tweesprong van Mozes’ leven.

En dus is de tijd van compromis en geschipper voorbij. Daarom die besnijdenis. Het hakt erin als God je roept. Wellicht was Mozes zelf niet besneden. Hij werd immers geboren onder dreiging van de dood. Zijn ouders wilden hem verborgen houden en dan is zo’n pijnlijke ingreep als een besnijdenis natuurlijk niet verstandig. Wellicht was Mozes wel besneden, maar dan was zijn zoon het in ieder geval niet. De toewijding aan God stond nog open.

En het lijkt erop dat Sippora dat eerder doorheeft dan hij. Na Sifra en Pua, na Mozes’ moeder en zus, na de dochter van de farao, is het opnieuw een sterke en verstandige vrouw die de dag redt. Sippora besnijdt haar zoon en ze raakt zijn voeten aan. Voeten is hier een eufemisme voor geslachtsorgaan. Maar wiens geslachtsorgaan het om gaat is niet duidelijk. Mozes of zijn zoon. Het zou zelfs op de HEER kunnen slaan. Duidelijk is wel dat Sippora hier alle gêne en alle compromissen voorbij is. Zij realiseert zich dat het of, of is. Of doen wat gedaan moet worden, of sterven. Of het bloed van het verbond, of het bloed van de dood.

De HEER wijkt na Sippora’s doortastende optreden. ‘En Hij liet hem met rust.’ Letterlijk staat er dat God zwakker werd. God is niet sterker dan zijn verbond. God heeft zich in vrijheid verbonden aan dat verbond. Als Sippora zich daar op beroept, kan Hij niet anders dan terugtreden. Nu is het aan Mozes. 

Sippora noemt Mozes bloedbruidegom. In dat woord klinkt schrik door. Door Mozes’ halfhartigheid keerde God zich tegen hem en zijn gezin. Alleen het doortastend optreden van Sippora keerde hun lot. De heilige huiver trilt nog na in haar lichaam. ‘Een bloedbruidegom ben je. Had ik je laten begaan, het was dat onze dood geworden.’ Er klinkt ook verbondenheid in door. ‘Door het bloed dat nu vloeit, zijn wij met elkaar verbonden.’ Vader, moeder en kind zijn door het bloed van de besnijdenis nu lotsverbonden. De dienst aan God zal hen vanaf nu bepalen. Vanaf dit moment is Mozes alle gêne en alle compromissen voorbij. Nu is hij Gods dienaar. Met heel zijn hart, met heel zijn verstand, met alle kracht. 

Wat is nu het evangelie in deze geschiedenis? Er zijn op internet talloze preken over de bloedbruidegom te vinden. Over Christus die zijn bruid, de kerk, met zijn bloed heeft gekocht. Er zitten mooie preken bij, maar ik vind het ook een beetje gezocht, een beetje op de klank af. 

Ik zou zeggen dat deze geschiedenis drie dingen vragen wil.

Allereerst vraagt zij ons naar ons Godsbeeld. Wie is God voor ons? Is er nog zoiets als heilig huiver als het over God gaat? En die vraag geldt niet alleen de geharnaste secularisten zoals Maarten ’t Hart. Ze geldt ook ons de gemeente. Wij zijn toch makkelijk geneigd te denken dat God blij mag zijn dat wij nog in Hem geloven. Dat er in de 21e eeuw nog mensen zijn die aan Hem doen. Die Hem een plek geven in hun leven. Er klinkt daarin niet veel meer door van ontzag en eerbied. Van een onder de indruk zijn. Van een totaal in beslag genomen worden door Hem die hemel en aarde schiep, van zijn Zoon die de wereld heeft verlost en van zijn Geest die de aarde vernieuwt. Zijn wij nog onder de indruk van God die ons totaal opeist, die geen redelijk deel van ons leven vraagt, maar zo ver gaat dat het ons vlees en bloed kost? 

Ten tweede vraagt deze geschiedenis naar onze roeping. Denkt u soms uw roeping te ontlopen? Kan dat? Of zal dat je altijd achtervolgen? Zal God je altijd achtervolgen? Waar loopt u voor weg? Welke stap zet u nog altijd niet? Slingert de staf van God ook door uw huis? Welke beslissing schuift u voor u uit? Hoe ver moet God gaan om u over de streep te trekken?

Ten derde kom ik toch ook bij Christus uit. Bij zijn volkomen toewijding en beschikbaarheid. Zijn totale overgave aan Gods wil. Zijn bereidheid om in het lijden dat Hem overkomt de hand van God te zien. Zijn compromisloze keuze voor liefde en kwetsbaarheid, voor gerechtigheid en vertrouwen. 

Op die weg mogen wij Hem volgen. De derde vraag vanuit Exodus 4 is of je dat wilt doen. Uiteindelijk komt het niet aan op wat wij doen, maar of wij achter Hem aan willen gaan die alles al heeft gedaan. In Hem heeft God zelf volkomen gehoorzaamheid gegeven. Gehoorzaamheid tot in de dood. Wij mogen in verbondenheid met Hem daarvan leven. Zijn dood is onze dood, schrijft de apostel Paulus. Wij zijn dus al gestorven. 

God zoekt ons niet te doden. Wij hebben de dood al achter ons. Wij zijn vrij van dat doodse bestaan. Sta dan op tot een nieuw leven. Dien God, gehoorzaam en toegewijd. Niet uit angst, maar uit dankbaarheid, in alle vrijheid en ontspanning.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s