Categorieën
Preek

Aan de wieg van Israël

Vandaag begint op de kerkelijke kalender de Paaskring. Op het leesrooster staan dit jaar tijdens de Paaskring lezingen uit Exodus. We begonnen vandaag met Exodus 1.

Het boek Genesis eindigt haast idyllisch. Alles is goed gekomen. Jozef en zijn broers hebben zich na alles wat er gebeurd is, verzoend. Jakob zegent zijn verzamelde zonen en sterft op hoge leeftijd. ‘Oud en van der dagen zat.’ Tenslotte zal ook Jozef sterven. Hij bezweert zijn nabestaanden dat ze hem zullen begraven in het land dat God aan zijn voorvaders heeft beloofd. En zo eindigt Genesis dan: ‘Jozef stierf toen hij honderdtien jaar was. Hij werd gebalsemd en in een sarcofaag gelegd, in Egypte.’ (Genesis 50:26)

Het is dus nog niet voorbij. Er moet nog wat komen. Jozef is nog niet terecht. Hij staat daar nog, in zijn sarcofaag, in Egypte. Hoe gaat dat verder? Op die vraag van Genesis geeft Exodus antwoord. Maar opnieuw zal de weg een omweg blijken te zijn. Gods geschiedenis neemt zelden de snelste route. Op sommige navigatiesystemen voor motoren kun je als optie instellen dat je een zo bochtig mogelijk route wilt afleggen. Zo is het ook met de weg van Gods volk.

Exodus begint met te vertellen dat de zonen van Israël – Jakobs nieuwe naam – zoveel nakomelingen krijgen dat er sprake is van een volk. De eerste die hen een volk noemt is trouwens die farao die Jozef niet gekend heeft. Hij neemt als eerste het woord volk in de mond als het gaat om Israël. Dat is de ironie van de Bijbel waar ik het wel vaker over heb. Die farao – die onmens zoals we zullen zien – juist hij constateert dat Gods belofte aan Abraham – ‘je zult tot een groot volk worden’ – in vervulling is gegaan. Maar dat weten alleen wij, dat weet hij niet.

De farao – ‘een nieuwe koning die Jozef niet gekend had’. Hoe kan dat nu? Jozef niet kennen? De man die Egypte en de rest van de bewoonde wereld van de hongerdood had gered. Niet kennen? Sommige uitleggers proberen de farao nog te redden door te veronderstellen dat de farao Jozef alleen kende bij zijn Egyptische naam, Sáfenat-Paneach, maar gezien de rest van wat we over deze farao horen denk ik: hij wílde Jozef niet kennen. Hij was klaar met die vreemdelingen, die migranten, die gelukszoekers. Hij wil niet weten wie ze zijn, hij wil ze kwijt. Het gebeurt telkens opnieuw.

En hoe begint het dan? Tijdens de Nationale Holocaust Herdenking zei overlevende Marian Turski: ‘Auschwitz kwam niet uit de lucht vallen.’ Hij vertelde het rustig, haast laconiek, hoe het gegaan was. Het begon al in de dertiger jaren. Turski neemt ons mee naar Berlijn. Naar een park in de buurt van het centrum. Naar een bankje. Op een dag staat er op dat bankje: voor joden verboden. Dat was erg, natuurlijk, maar aan de andere kant, er zijn genoeg andere bankjes. Later mogen joden een bepaald zwembad niet meer in, maar oké, er zijn andere plekken waar je kunt zwemmen. Dan volgt het lidmaatschap van een zangvereniging. Dan zingen we in een joods koor. En dan staat er ergens: joodse kinderen mogen niet met Arische kinderen spelen. Nu ja, dan spelen ze maar met elkaar. En dan: levensmiddelen worden pas na vijf uur aan joden verkocht. En zo raakt een mens gewend aan het idee dat je een ander kunt stigmatiseren en uitsluiten. En zo raakten daders en slachtoffers gewend aan de werkelijkheid van stigmatisering en uitsluiting. Nee, Auschwitz kwam niet uit de lucht vallen.

Exodus 1 neemt ons mee naar Egypte. Naar het paleis van de farao. Er wordt ook hier ingespeeld op angsten. ‘Stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden…’ Er is helemaal geen oorlog en de Israëlieten sluiten zich niet aan bij vijanden. Maar het is gezegd, de alternatieve feiten. En het klinkt niet onlogisch. En stel je voor. Misschien is het toch goed om er rekening mee te houden. Je weet maar nooit. En straks is het te laat… Zo werkt de logica van de angst. 

En wie de angst eenmaal toelaat, heeft geen verweer meer tegen telkens een stapje verder in onderdrukking. Verdachtmaking wordt dwangarbeid, dwangarbeid wordt onderdrukking, onderdrukking wordt het stiekem vermoorden van pasgeboren kinderen en het eindigt tenslotte met een in alle openheid gegeven opdracht tot uitroeiing. Zo ging het in Egypte, zo ging het in Europa in de vorige eeuw en er is geen enkele reden om aan te nemen dat het niet weer zo kan gaan. Dit is hoe het werkt.

Zo begint het geboorteverhaal van het volk Israël met een opdracht tot totale vernietiging. Van de idylle naar de hel in een hoofdstuk. Zo kan het gaan, zo lijkt het te moeten gaan met Gods volk, maar of het ook zo is? Misschien dat ik daar de komende weken nog eens iets over zeg. Zo kan het gaan. Zo gaat het met de zonen van Israël, de zonen van God, dé Zoon van God. We zullen er de komende weken nog veel over zeggen.

Nu vragen die vroedvrouwen onze aandacht. Niet voor niets worden zij bij naam genoemd. Sifra en Pua. ‘Stralende schoonheid’ en ‘blinkende glans’ betekenen hun namen, ik bedoel maar. Te midden van het duister zijn zij engelen van het licht. Zij steken hun licht bepaald niet onder de korenmaat. De Nieuwe Bijbelvertaling noemt hen ‘Hebreeuwse vroedvrouwen’, maar er staat ‘vroedvrouwen van de Hebreeën’. Zelf waren ze waarschijnlijk noch Egyptisch, noch afstammeling van Jakob. Ze behoorden waarschijnlijk tot de categorie ‘buitenlandse arbeidskrachten’. De Filipino’s op de schepen, de Polen in de bouw, de Roemenen en Bulgaren in de landbouw. Nameloze werkers. Maar de Bijbel noemt hun naam. Sifra en Pua.

En, God verbindt zich met hen. Hij komt in Exodus 1 twee keer ter sprake. Twee keer in verband met Sifra en Pua. De eerste keer staat er dat de twee verloskundigen ontzag hebben voor God en de tweede keer dat God hen zegende met eigen nageslacht.

Sifra en Pua vreesden God, zoals dat in de oudere vertalingen heet. Tegenover de angst van de farao voor de Israëlieten staat hun ‘vreze des Heren’. De ene angst leidt tot bloedvergieten, de andere tot het redden van levens. De beste remedie tegen angst is het vrezen van God. En nu kunnen we daar heel vroom over doen, heel geestelijk, maar we lezen helemaal niets over het geloof en de vroomheid van deze twee vrouwen. Net zoals zonde het doen van heel concreet kwaad is, zo is ontzag voor God ook het heel concreet doen van goed. God vraagt niet naar goede bedoelingen of lovenswaardige intenties. Nee, dóe het goede! Sifra en Pua nemen de jongetjes in hun armen. ‘Je hoeft niet bang te zijn.’ Het is deze concrete goedheid waardoor zij aan de wieg van Israël staan.

Opvallend is hoe Sifra en Pua de farao om de tuin leiden. En dat ze er mee wegkomen. Dit is het klassieke voorbeeld van de noodleugen geworden. Er zijn omstandigheden dat je mag liegen. Dietrich Bonhoeffer – afgelopen dinsdag was het zijn geboortedag – schreef in 1943, kort nadat hij was opgepakt, een opstel met als titel ‘Was heißt: “Die Wahrheit sagen”?’ Wat betekent: de waarheid spreken? Bonhoeffer is in gewetensnood. Hij kent God gebod ‘gij zult geen vals getuigenis spreken’, hij volgt Jezus Christus die hij bewondert om de vrijheid waarmee hij de waarheid sprak, maar nu hij gevangen zit is de waarheid spreken uiterst gevaarlijk. Wat moet hij zijn ondervragers antwoorden? De waarheid spreken kan vele medestanders en vrienden het leven kosten.

Bonhoeffer schrijft dat als wij de waarheid willen spreken, ons spreken recht zal moeten doen aan de werkelijkheid. En er is voor ons maar één werkelijkheid en dat is de werkelijkheid van God in Christus. Er is geen waarheid op zich, er zijn geen naakte feiten, de dingen zijn zoals je ze vanuit God en vanuit zijn Zoon ziet. Dat betekent dat je soms mag liegen, ja dat je soms moet liegen om die waarheid te eerbiedigen.Sifra en Pua liegen de waarheid. ‘Ze zijn zo sterk, het kind is er al voordat wij er zijn.’ De farao trapt er in. Juist omdat dit antwoord raakt aan zijn diepe angst voor die Hebreeën. Zo bang, doodbang is deze machtige man voor de levensbrengende kracht van vrouwen. Sifra en Pua liegen de wáárheid, de waarheid van God. Het leven is sterker dan de dood. Het kwaad zal altijd een stapje te laat komen. Gods goedheid is het kwaad altijd voor. In een wereld waar de angst regeert, is dat onze roeping: de waarheid spreken. De werkelijkheid onder woorden brengen. De werkelijkheid van God, de werkelijkheid van Christus. De dingen zijn niet zoals iedereen zegt. De dingen zijn niet zoals ze nu eenmaal zijn. De dingen zijn zoals ze zijn als je kijkt met Gods ogen. Zo houden wij het vol. In een wereld die Hem niet kent. Op hoop van zegen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s