Categorieën
Preek

Altijd danken voor de gemeente?

Vandaag preekte ik in de Barendrechtse Dorpskerk over 1 Korintiërs 1:1-9. We lazen ook over de roeping van de leerlingen (Matteüs 4:12-22) en uit Jesaja 49 (1-7).

‘Van Jan Willem, dienaar van Christus Jezus, geroepen door de wil van God. Aan de gemeente van God in Barendrecht, geheiligd door Christus Jezus, aan hen die zijn geroepen om zijn heiligen te zijn… Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus. Ik dank mijn God altijd voor u…’ 

Ik bedoel maar: je zal zo’n brief krijgen! Ik dank mijn God altijd voor u. Dat is niet niks als iemand dat tegen je zegt. Jullie zijn een reden tot dankbaarheid. En niet zomaar dankbaarheid. Dankbaarheid aan God nota bene.

Nu kun je op die woorden ook wel wat afdingen. Paulus begint bijna al zijn brieven met het uitspreken van dank. Alleen als hij aan de Galaten schrijft, blijft de dank achterwege. Die hadden het zo bont gemaakt. Maar verder begint Paulus altijd zo. 

En nu zou je daarvan kunnen zeggen dat Paulus lijkt op zo iemand die een cursus feedback geven heeft gevolgd. Zo’n cursus waar je leert dat je eerst iets positiefs moet zeggen voordat je met je kritiek komt. Ik vond dat je dat heel knap deed, maar… Je hebt erg je best gedaan, maar… U kent dat wel. 

En Paulus lijkt op iemand die erg goed heeft opgelet tijdens die cursus, want Paulus’ dank wordt vrijwel altijd meteen gevolgd door kritiek, en soms zelfs heel heftige kritiek. Paulus houdt zich aan de regels van de retorica. Ook in de oudheid wisten ze dat als je een publiek ergens van wilt overtuigen, dat je ze dan eerst voor je moet winnen. Paulus schrijft volgens de regels van de kunst. ‘Ik dank God altijd voor u, maar…’ Alleen in de Brief aan de Filippenzen blijft Paulus’ toon positief. In alle andere gevallen volgt er een ‘maar’. Ook hier in 1 Korintiërs waar Paulus na zijn positieve begin een lange brief schrijft over de verdeeldheid en gebrekkige moraal in Korinthe.

‘Maar’ is één van die kleine, uiterst krachtige woordjes. Met ‘maar’ zet je alles wat eraan voorafgaat tussen haakjes. Je moet daarom verstandig omgaan met dit woordje. Wij roepen thuis wel eens: ‘Ja, maar is nee.’ En ik heb ooit geleerd dat je nooit mag zeggen: ‘Ik hou van je, maar…’ 

‘Ik dank mijn God altijd voor u…’ Misschien is er nog wel een reden waarom we Paulus’ dankbaarheid met opgetrokken wenkbrauwen aanhoren. En is dat misschien omdat we het nauwelijks kunnen geloven. Danken wij God altijd voor de gemeente? Is dat wat bij ons overheerst als we aan de gemeente denken, de dank? Is het niet veel vaker de kritiek, de teleurstelling, de onzekerheid? Wij hebben genoeg op de gemeente aan te merken. Wij hebben allemaal ook zo onze negatieve ervaringen. En wie maakt zich geen zorgen over de toekomst van de kerk? ‘Ik dank mijn God altijd voor u…’ Hoe bedoel je, Paulus?  

Wat ziet Paulus als hij naar de gemeente kijkt? Daarover staat iets heel veelzeggends in deze eerste verzen van de Eerste Brief aan de Korintiërs. Paulus ziet niet in de eerste plaats mensen, met hun onhebbelijkheden. Hij ziet ook niet in de eerste plaats de organisatie, met haar traagheid. Paulus gebruikt een speciaal woord in verband met de gemeente. Een woord dat hij ook als hij het over zichzelf heeft gebruikt. Dat is het woord ‘geroepen.’ De ‘geroepen apostel’ schrijft aan de ‘geroepen gemeente’. Voor Paulus gaat aan alles wat hij is en doet, en niet is en niet doet, vooraf dat God hem geroepen heeft. Dat is wat het verschil maakt. En zo gaat voor hem ook aan alles wat de gemeente is en niet is, doet en niet doet, vooraf dat zij geroepen is.

Roepen is in de Bijbel altijd iets wat God doet. Eigenlijk kun je heel Gods omgang met mensen samenvatten met roepen. Door te roepen zorgt Hij ervoor dat het doorgaat, zijn verhaal met mensen. God roept Adam: ‘Mens, waar ben je?’ Hij roept Kaïn: ‘Waar is je broeder?’ God roept Abram: ‘Ga, uit je land… naar het land dat ik je wijs.’ Hij roept Mozes bij de braamstuik: Ga, bevrijdt mijn volk!’ Hij roept Elia in de woestijn: ‘Wat doe je hier?’ Hij roept David van achter de kudde. Jesaja getuigt dat God zijn volk roept uit de ballingschap. God roept. En in dát roepen van God worden ook wij betrokken. Het is ook dat roepen waardoor er een gemeente is.

God gaat door. Daar is de gemeente een teken van. Dat is reden tot dankbaarheid. Dat geldt voor Paulus in de eerste eeuw. En dat geldt niet minder voor ons in de 21e eeuw. Dat de gemeente er nog is. Dat ze er nog altijd is in onze seculiere tijd. Secularisatie houdt geen halt bij de drempel van de kerk. Ook wij zijn diep geseculariseerde mensen. Maar God heeft ons vastgehouden. En nog houdt Hij ons vast! Hoe bestaat het? Hij roept.

Misschien dat onze schrale dankbaarheid voor de gemeente wel komt door onze manier van kijken naar de gemeente. Zo vaak zien we de matheid, het gebrek aan elan, de kleinburgerlijkheid, de verdeeldheid, de kikkers in de kruiwagen. 

Zie je dan niet dat we er zijn?! Dat er woorden klinken die nergens anders te horen zijn. Dat we uit onszelf worden getrokken. Dat we tot de orde van het Koninkrijk worden geroepen. Dat we elkaar en anderen gaan zien als een van ons voorbij onze verschillen en over onze grenzen. Dat we teken zijn van Gods trouw. ‘Ik dank mijn God altijd voor u…’ Ja!

Gods roepen gaat aan alles vooraf. Dat geldt voor Paulus en voor de gemeente in Korinthe. Dat geldt voor onze gemeente en voor ieder van ons. Wat jou maakt tot wie je bent, is niet wat anderen over je zeggen of denken. En ook niet wat je hebt of kunt. En ook niet wat je over jezelf denkt. Dat is meestal of te optimistisch of juist te negatief. Zelfs ons geloof maakt ons niet tot wie wij zijn. Nee, Gods roepen, daar komt het op aan.

Jij zit daar, aan de oever van het meer. Met je netten en je boot, het is niet veel, maar het is wat het is, en dan komt Hij: ‘Kom, ga mee, jou heb ik net nodig, laat alles los, en ik geef je meer dan ooit.’ Op zijn stem kunnen we vertrouwen. Hij maakt je tot wie je bent.

Vanmorgen roept Hij ons aan zijn tafel. Kom, want alle dingen zijn gereed. Je mag komen, hier wordt bepaald wie je bent. Brood en wijn maken een nieuw mens van je. Zo nieuw als de opgestane Christus. Het oude leven, alles wat ons oud maakt, schuld, schaamte, verdriet en twijfel, het bepaalt niet wie we zijn. Dat bepaalt Hij die ons roept. En als je Hem hoort, ‘kom!’, dan is het zoals in Jesaja 49 en Psalm 139: U riep me al in de moederschoot, uw roepen gaat aan alles vooraf. En omdat Gods roepen aan alles voorafgaat, kun je er altijd op terugvallen, telkens opnieuw.

Dat gebeurt in het midden van de gemeente. De tafel staat niet voor niets centraal. Zolang dat zo is, kunnen we God altijd danken voor de gemeente. Eucharisteo is het woord dat Paulus voor dankzeggen gebruikt. Eucharistie. Avondmaal. Avondmaal is dankzegging. Zullen we het vandaag zó samen vieren? ‘Ik dank U, altijd!’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s