Categorieën
Preek

Zoon van David

Vandaag ging ik voor in Carnisse Haven. Het Adventsproject daar was gebaseerd op de stamboom van Jezus zoals die in Matteüs 1 wordt geschetst. Deze zondag was David aan de beurt. Misschien wel de belangrijkste voorvader van Jezus. We lazen 2 Samuël 7.

David speelt een cruciale rol in het geslachtsregister van Jezus waarmee de evangelist Matteüs zijn evangelie opent. David wordt niet alleen op een-derde van het register genoemd als zoon van Isaï en vader van Salomo. Nee, meteen aan het begin wordt hij al genoemd. Na de naam Jezus Christus is David de tweede naam die klinkt in het Matteüsevangelie. ‘Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham.’ (Matteüs 1:1)

Jezus wordt door Matteüs dus heel nadrukkelijk ‘de zoon van David’ genoemd. Maar niet alleen bij Matteüs speelt David een prominente rol. Ook in het overbekende Kerstevangelie zoals staat beschreven staat in Lucas 2 wordt David met naam en toenaam genoemd. Als verteld wordt hoe iedereen op weg gaat om zich te laten inschrijven vanwege die volkstelling van keizer Augustus, staat er: ‘Jozef ging van de stad Nazareth in Galilea naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, aangezien hij van David afstamde…’ (Lucas 2:4)

Ook zijn er nog andere momenten in het evangeliën waarop de naam David opduikt. Ik denk aan die blinde Bartimeüs langs de weg bij Jericho. (Marcus 10) ‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!’, roept hij. En als ze hem zeggen te zwijgen, roept hij des te harder: ‘Zoon van David!’ Al met al zijn er 35 verzen in de vier evangeliën waar Davids naam valt.

David is dus een belangrijke figuur als het gaat om de vraag wie Jezus is. Als wij ons deze tijd van Advent afvragen wie wij verwachten dan doen we er goed aan te kijken naar David. Wat betekent het dat Jezus de zoon van David genoemd wordt? Het adventsproject van de kinderen beantwoordt die vraag met 2 Samuel 7.

In 2 Samuel 7 zijn wij getuige van iets bijzonders. Ik bedoel dan niet alleen dat de profeet Natham moet terugkomen op wat hij in eerste instantie zegt. Dat is op zich natuurlijk wel heel veelzeggend. Dat in Israël zelfs de stem van de profetie niet in beton gegoten is. Dat zelfs dienaren van God wel eens moeten zeggen dat ze er met de kennis van nu toch anders tegenaan kijken.

Nee, het gaat mij om dat God via Nathan tegen God zegt. Een eeuwig koningshuis en een troon die niet wankelt (vers 16). Zoiets had God nog nooit beloofd. Onvoorwaardelijke zegen. Tot op dit moment was het met Gods verbond altijd geweest: als je mij gehoorzaamt, zal ik je zegenen, gehoorzaam je me niet, dan ontvang je ook mijn zegen niet. Hier bij David vervalt die wederkerigheid. Zijn koningshuis zal dan ook voortbestaan en zijn troon zal hoe dan ook niet wankelen. Het koningschap – waar in Israël altijd bedenkingen tegen geweest waren, want is niet God onze koning en wat kost dat allemaal wel niet? – het koningschap valt hier samen met de weg van de HEER.

En God zegt over Davids troonopvolger: ‘Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon.’ (vers 14) En dat terwijl het Oude Testament juist zo terughoudend is om iemand zoon van God te noemen. In Egypte en Babel, ja daar noemden koningen zich zonder gene ‘zoon van God’ om hun absolute macht te bevestigen. Maar in Israël niet. Een paar Psalmen (2, 89) hooguit, maar verder is een koning in Israël niet meer dan dat, een koning, een historisch instituut.

Ook in 2 Samuel 7 is die relativering niet ver weg. Want wat staat er over die koning geschreven? David wil een tempel bouwen. ‘Ik woon in een paleis van cederhout, terwijl de ark van God in een tent staat.’ Is dat vroomheid? Of is het Davids kwade geweten dat spreekt? Want was dat de bedoeling, een paleis van cederhout? Had God hem daarom weggeroepen vanachter de kudde van zijn vader Isaï? Is zo’n paleis vol pracht en praal nu de plek waar de herder van Israël thuishoort? Waarom zou God net zo mooi moeten wonen als de koning? Zodat de koning zich niet meer hoeft te schamen voor zijn rijkdom? Kan David niet veel beter net zo nederig als God gaan wonen? Waarom gaat hij niet in een tent wonen? Dat is toch ook een oplossing? Omdenken noemen we dat tegenwoordig.

Ook in wat gezegd wordt over de zoon van David, dat hij de zoon van God zal zijn, is deze kritische kant van Israëls geloof niet ver weg. ‘Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon’ – en dan gaat het verder, dubbele punt – ‘als hij zondigt, zal ik hem kastijden met stok- en zweepslagen, zoals zijn vader doet…’ Ik laat nu even rusten dat wij stok- en zweepslagen pedagogisch bepaald onverantwoord vinden. Waar het mij om gaat is dat het zoonschap van God hier in het teken staat van de tuchtiging. Wil je Gods zoon zijn, dan vraagt dat veel van je, dan is God kritisch op je. ‘Wat de rest van de wereld doet, kan me niet schelen, maar jij bent mijn kind.’

Gods liefde is onvoorwaardelijk, maar hij verwacht wel degelijk wel wat. Wat verwacht Hij van een koning? Wat verwacht Hij van zijn zoon? Daarvoor moet je kijken naar wat er net voor 2 Samuel 7 gebeurt. In het hoofdstuk 6 staat hoe David de ark van God overgebracht heeft naar Jeruzalem. Dan is David op zijn best. Hij danst voor de ark, gekleed in niet meer dan een priesterhemd. God wil een priesterlijke koning. Een koning die voor op gaat in de dienst aan hem. Een koning die voorgaat in de gebeden. David heeft dat heel goed begrepen. Niet voor niets bestaat het tweede deel van twee Samuel zeven uit een gebed.

God wil een priesterlijke koning. Hij wil ook een nederige koning. We herinneren ons dat Michal, Davids vrouw, het verschrikkelijk vindt hoe haar man zich halfnaakt dansend voor het oog van heel het volk vernedert. Ze had een hoge dunk van hem. ‘Alle dienaressen hebben het gezien!’, werpt ze David voor de voeten. David reageert door te zeggen dat hij juist zo koning wil zijn, als dienaar van de dienaressen. Het goddelijke koningschap is in Israël een dienend koningschap en dat koningschap wordt bekroond met de belofte dat het eeuwigdurend zal zijn.

So far so good. Maar we moeten nog een stap verder gaan, een laag dieper graven. In Jezus’ geslachtsregister staat namelijk nog meer over David. Er staat niet alleen: ‘Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, Isaï verwekte David, de koning.’ Het gaat dan verder met: ‘David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria, Salomo verwekte Rechabeam…’

Die zoon van David, die in 2 Samuel 7 de zoon van God wordt genoemd, dat is Salomo. En Matteüs zegt daar heel eerlijk bij dat David hem verwekte bij ‘de vrouw van Uria’. Hij had ook nog kunnen schrijven ‘bij Batseba’, maar de evangelist trekt de beerput helemaal open. De zoon van David, door God als zoon aanvaard, de bouwer van de tempel en Jezus’ voorvader, hij is geboren uit een overspelige relatie. De dienaar van de dienaressen, ja ja…

Salomo was niet Davids oudste zoon, niet de kroonprins. Dat was Absalom. Maar Absalom pleegt een coup en bekoopt dat met zijn leven. En Salomo was ook niet de volmaakte vorst. Israëls reserves ten aanzien van het koningschap bleken terecht. 40.000 paarden had Salomo en 1000 vrouwen, naar men zegt. Dat kan natuurlijk niet goed gaan. Paarden zijn de tanks van die dagen. Wie zo’n groot leger op de been brengt, gaat geloven in de macht van wapens. En over die 1000 vrouwen hoef ik denk ik niets te zeggen. ‘Salomo verwekte Rechabeam’, schrijft Matteüs. Maar Rechabeam wordt door slechts twee stammen erkend en Davids koninkrijk valt bij zijn kleinzoon dus al uit elkaar.

Als Jezus ‘zoon van David’ wordt genoemd, dan wordt niet alleen Davids priesterschap en voorbeeldige nederigheid op Hem betrokken, maar ook die hele problematische kant van zijn koningschap. Hij valt er via deze eretitel middenin. En God verbindt zich met de problematische kant van het mens-zijn. Met onze tragiek, en met onze zonde. Zonde, dat is ook waar het over moet gaan als het over David gaat.

Zonde is de menselijke neiging de dingen te verkloten. Zonde is niet mooi en er past ook geen mooi woord bij. De zonde is het ergste wat in deze goede wereld gebeurd is en gebeurt en blijft gebeuren – totdat Hij komt. De zonde is die macht in mij, en van mij, en veel groter-dan-mij; een macht die het radicaal goede van God breekt. De zonde is de verrader in mij, die steeds het goede in mij, van binnenuit, saboteert. Zelfs het allermooist wat er is, een eeuwig koningschap, God die je zijn zoon noemt, het is niet aan ons besteed.

En zo schreeuwt heel de menselijke geschiedenis om iemand die het wel waard is om door God ‘mijn zoon’ genoemd te worden. Een koning van de vrede. Een koning die de zonde overwint. Een koning die God een huis bouwt, een priesterlijke koning die nederig is en bidt. Dat Jezus Christus ‘zoon van David’ wordt genoemd, is omdat hij die zoon van God, die koning is. Hij is het antwoord op de schreeuw van ons bestaan.

God woont in Hem. En door Hem woont God onder ons. Hij is Gods tempel. En Hij maakt ons tot zijn woonplaats. De gemeente, die verzameling gewone, kwetsbare en zondige mensen. Wij zijn het volk van deze koning die voor altijd regeert. Zoals Petrus schrijft: ‘… u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.’ (1 Petrus 2:9)

Zo gaan wij verder. Volgen wij de ster. Op weg naar Kerst. Als geroepen mensen. Als mensen die weten van het duister, en ook van het licht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s