David (deel 4)

Vandaag hield ik een vertelpreek (Schriftlezing en uitleg in één) over 2 Samuël 1. We lazen ook 1 Korintiërs 13.

Saul was gesneuveld en David had de Amalekieten verslagen en was al weer twee dagen terug in Siklag.

Saul was gesneuveld… Dat zat er al heel lang aan te komen. Sauls zat al zo lang op dood spoor. De profeet Samuël was een vreemde voor hem geworden en David een vijand. En God zweeg, dat was nog het ergste. Kort hiervoor wordt verteld hoe Saul bij de heks van Endor de geest van Samuël laat oproepen. Een ongehoorde daad in Israël, de geest van de doden laat je met rust, hekserij is een halsmisdaad. ‘God heeft je verlaten’, zegt Samuël, ‘en morgen zullen jij en je zonen hier bij mij in het dodenrijk zijn.’

Saul was gesneuveld. Maar dat wist David niet. Terwijl Saul in het zuiden in de bergen van Gilboa tegen de Filistijnen vecht, vecht David in het noorden tegen de Amalekieten. Terwijl Saul en zijn zonen ervoor ijveren dat het land niet naar de Filistijnen gaat, strijd David tegen Israëls aartsvijand. Samen werpen ze een wal op tegen de barbarij. In die strijd zijn beide gezalfden toch nog verbonden.

Letterlijk staat er overigens dat David Amalek verslaat. En niet ‘de Amalekieten’. David verslaat niet een groep strijders, hij verslaat het ultieme kwaad. Want dat is Amalek. Amalek viel Israël aan toen het door de woestijn trok op weg naar het beloofde land. Amalek viel de achterhoede aan, waar de kwetsbare vrouwen, kinderen en zieken zich ophielden. Zo laf, zo laaghartig. Het kwaad pakt je waar je weerloos bent. En dat kwaad verslaat David. Saul had eerder de kans het te doen, maar hij liet het na. David slaagt waar Saul faalt. David slaagt waar wij allen falen. Het kwaad verslaan.

Dat is nu twee dagen geleden. David is in Siklag en komt bij van de strijd. Maar de grootste klap moet nog komen…

Op de derde dag liet zich iemand uit het legerkamp van Saul aandienen. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. Bij David gekomen, boog hij diep voorover. 

De derde dag breekt aan. Nu zal het gebeuren. De derde dag is de dag van de beslissing. Maar wat er op die derde dag gebeurt is verwarrend. Een man dient zich aan. Hij rouwt, dat kun je zien aan zijn gescheurde kleren en het stof op zijn hoofd. En hij gedraagt zich opvallend nederig. Hij groet David zoals je een koning groet. Maar David is geen koning. Wat gebeurt hier? Wie is deze man? En waarom doet hij wat hij doet?

‘Waar komt u vandaan?’ vroeg David, en de man antwoordde: ‘Uit het legerkamp van Israël. Ik ben ontkomen.’ ‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg David ongerust. ‘De soldaten moesten vluchten,’ vertelde hij. ‘Velen van hen zijn gesneuveld, en ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn omgekomen.’

Daar. Het hoge woord is eruit. Saul en Jonathan zijn gesneuveld. Nu weet David het ook. En tsja, hoe gaat dat wanneer je traumatisch nieuws hoort. Ik leerde tijdens mijn opleiding de vijf fases van rouwverwerking. Ontkenning. Boosheid. Onderhandelen. Depressie. Aanvaarding. David zit in de ontkenning.

‘Hoe weet u zo zeker dat Saul en zijn zoon Jonatan dood zijn?’ vroeg David aan de boodschapper die hem dit was komen vertellen. ‘Ik was heel toevallig op de Gilboa,’ antwoordde hij.

Toevallig? Onze verwondering over die rouwende en nederige boodschapper wordt steeds meer argwaan.

‘En daar stond Saul, leunend op zijn speer;

Die speer waarmee hij tot twee keer toe David aan de wand wilde spietsen. Wie is deze boodschapper toch? En wat weet hij allemaal?

‘En daar stond Saul, leunend op zijn speer; de strijdwagens en ruiters hadden hem al bijna te pakken. Hij keek om, en toen hij mij zag, riep hij me bij zich. “Wat kan ik voor u doen, heer?” vroeg ik, en hij vroeg: “Wie ben jij?” “Ik ben een Amalekiet,” zei ik, 

 Het zal toch niet waar zijn! Toch weer een Amalekiet. Drie dagen geleden versloeg David Amalek en hier staat er weer een voor hem. Het kwaad is onuitroeibaar. Een dag, twee dagen en dan is het er weer.

“Ik ben een Amalekiet,” zei ik, en toen zei hij: “Kom hier en geef me de genadestoot. Want ik leef nog wel, maar de dood heeft mij al in zijn greep.” Dus ik ging naar hem toe en gaf hem de genadestoot, want ik begreep dat hij, nu de strijd verloren was, niet lang meer te leven had. Toen nam ik hem zijn hoofdband en zijn armband af om ze voor u mee te nemen, mijn heer.’ 

Hoort David wel dat er een Amalekiet voor hem staat? Nee, David hoort dat Saul en Jonathan dood zijn. En dat grijpt hem aan. Gods gezalfde en zijn hartsvriend dood.

 Hierop greep David zijn kleren en scheurde ze, en ook al zijn mannen deden dat. Ze rouwden, jammerden en vastten tot de avond viel voor Saul, zijn zoon Jonatan en het volk van de HEER, het volk van Israël, omdat zij in de strijd waren gesneuveld. 

Hier zit de verrassing van dit gedeelte. David is niet blij dat Saul dood is. Hij en zijn mannen houden een rouwbeklag dat zijn weerga niet kent. In het tweede deel van 2 Samuël 1 lezen we een klaaglied van David. Het is een even mooie als ontroerende Psalm.

‘Als een gevelde hinde, Israël,
ligt jouw trots gesneuveld op je heuvels.
Ach, dat je helden moesten vallen!

Bergen van Gilboa, draag geen dauw meer,
duld geen regen op je hooggelegen velden:
daar ligt het heldenschild, vertrapt,
het schild van Saul, vergeten en verwaarloosd.

Ach, dat de helden in de oorlog moesten vallen!
Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels.
Het verdriet verstikt me, Jonatan,
je was mijn broeder, en mijn beste vriend.
Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.

Ach, dat de helden moesten vallen,
dat jullie, wapens in de strijd van Israël, verloren moesten gaan!’

En dat terwijl David ook meteen beseft moet hebben wat de dood van Saul en zijn zonen voor hem betekent. Hij is niet langer vogelvrij. Hij hoeft niet langer te vluchten. Hij hoeft niet meer elke dag op te staan met de onzekerheid waar hij ’s avonds zijn hoofd zal neerleggen.

Ja, sterker nog. David moet ook beseft hebben dat de weg naar de troon nu openligt. Nu kan hij eindelijk worden wie hij al zo lang is: koning David, gezalfde God, Messias.

De Amalekitische boodschapper zal Davids rouwbeklag met toenemende verbijstering hebben gadegeslagen. Zijn gefantaseerde verhaal valt niet in goede aarde. In het vorige hoofdstuk staat dat Saul sterft door zijn eigen zwaard. Hij slaat de hand aan zichzelf. Deze Amalekiet is niet meer dan een plunderaar. Hij hoopte dat David hem zou belonen voor het doden van Saul. Het loopt anders af.

David vroeg aan de boodschapper die hem dit alles was komen vertellen: ‘Waar komt uw familie vandaan?’ ‘Ik ben een Amalekiet,’ antwoordde hij. ‘Mijn vader is hier als vreemdeling komen wonen.’ Daarop vroeg David: ‘Hoe hebt u het gewaagd uw hand op te heffen tegen de gezalfde van de HEER, en hem te doden?’ Hij riep een van zijn dienaren bij zich en beval: ‘Kom hier, dood hem.’ En de dienaar stak hem dood, terwijl David zei: ‘U hebt uw dood aan uzelf te wijten, want u hebt uzelf met zoveel woorden beschuldigd door te zeggen: “Ik heb de gezalfde van de HEER de genadestoot gegeven.”’

Wat een ironie. Deze man die fantaseert dat hij Saul op zijn verzoek doodde, vindt de dood doordat David een ander verzoekt hem neer te slaan. Hij krijgt zijn streken thuis.

Wat is nu de fout van deze Amalekiet? Dat hij een fantast is? Dat hij een plunderaar is? Dat hij David verkeerd inschatte? Het zijn allemaal symptomen van een dieperliggende oorzaak. Het probleem met deze Amalekiet, het probleem met Amalek is dat hij niet weet wat liefde is.

Deze Amalekiet is niet meer dan een dreunende gong, een schelle cimbaal. Hij heeft de liefde niet. Dat is het probleem van het kwaad. Kwaad is niet dat je een of andere regel overtreedt, dat je iets verkeerd doet. Kwaad is waar de liefde ontbreekt. Deze Amalekiet rekent er niet mee dat David Saul liefheeft. Hij kent de liefde niet die David wel kent.

‘De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.’

We ontmoeten David hier op het hoogtepunt van zijn koningschap, al is het nog niet eens begonnen. En dat komt door de liefde. Het is de liefde die rekent met God. Het is de liefde van de Messias. Van David Messias en van dé Messias Jezus. Hij vergaf de moordenaar aan het kruis. Hij bad voor zijn beulen. Hij liet Thomas zijn wonden zien. Hij nam Petrus weer in dienst. Hij is de gezalfde van de HEER die telkens weer de genadestoot krijgt, maar in zijn liefde staat Hij telkens weer op.

Het is ook de liefde van hen die met Hem leven. In de kring om de Messias zet deze liefde de toon. Wij verheugen ons niet in het ongeluk van anderen. Zelfs niet als dat ons geluk betekent. Want wij kennen de liefde. ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.’

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s