David (deel 2)

Ook vandaag preekte ik over David, nu n.a.v. 1 Samuël 19:10-17. We lezen daar hoe David vlucht voor Saul en daarbij wordt geholpen door zijn (eerste) vrouw Michal, de dochter van Saul. In de preek vertel ik haar verhaal

Mijn naam is Michal. Ja, ik hield van hem. Ik heb altijd van hem gehouden. Ik ben de enige vrouw in de Bijbel waarvan gezegd wordt dat ze van een man hield. De enige! Ik hield van hem. O ja.

We waren nog kinderen toen het begon. Hij speelde op zijn harp. Voor mijn vader, zeiden ze, om zijn buien. Maar ik heb altijd geloofd dat hij speelde voor mij. Hij raakte een snaar bij me. Hoe vaak heb ik niet in stilte naar hem zitten kijken terwijl hij met z’n ogen dicht aan het tokkelen was. En als hij dan zijn ogen opsloeg, keek hij recht in mijn hart.

Toen had ik hem nog een beetje voor mijzelf. Later, toen hij die reus versloeg, was dat voorbij. Toen wilde opeens iedereen een stukje van hem en voor mij… – voor mij bleef er uiteindelijk niets over. Mijn broer Jonathan, ach Jonathan, lieve, mooie, arme Jonathan, hij en David, het waren twee koningskinderen, ze hadden elkander zo lief.

Vader had beloofd dat wie Goliath zou verslaan, zou trouwen met zijn dochter. Nee, niet ik, maar Merab, mijn zus. Voor David dé kans om hogerop te komen. Ik begrijp dat wel, van herdersjongen tot schoonzoon van de koning. Maar vader raakte toen al meer en meer verstrikt in zijn haat-liefdeverhouding tot David. Op Merabs trouwdag stond ze daarom niet naast David, maar naast ene Adriël voor het altaar. ’t Kon David niet veel schelen.

Zijn onverschilligheid maakte vader razend. ‘Je kunt mijn jongste dochter wel krijgen,’ zei hij en mij hart sprong op. ‘Je kunt ze krijgen als… als… ja, herdertje een bruidsschat kun je niet betalen, maar ik weet het goed gemaakt. Breng mij de voorhuiden van honderd Filistijnen! Doe dat en Michal zal je vrouw zijn.’

Mijn hart kromp ineen. Honderd Filistijnen. Dat zou David niet overleven. Dat wist ook mijn vader. En zo werd ik de beloning die hem de dood in zou drijven. Maar David zou David niet zijn als hij het overleefde. Geen honderd, maar tweehonderd voorhuiden bracht hij mee. Hij evenaarde mijn vader in wreedheid. Zijn populariteit kende geen grenzen en vader moest erkennen dat hij met elke zet zijn eigen stelling verzwakte.

Hij moest ook mij aan David geven. Mijn bruidsschat, tweehonderd dode verminkte Filistijnen. Maar ik hield van hem, o ik hield van hem. Had ik al gezegd dat ik de enige vrouw in de Bijbel ben waarvan staat geschreven dat ze van een man hield? Het staat er tot twee keer toe.

David ondertussen had het te druk met succesvol zijn, en met mijn broer, en met het ontwijken van mijn vader. Ik wilde graag een kind van hem, de moeder van zijn kind worden, maar het kwam er niet van. Alsof na die tweehonderd verminkte geslachtdelen de lust ons ontnomen was, denk ik nu wel eens.

Op een avond kwam David zowaar naar me toe. Zou het dan toch nog? Nee, hij was op de vlucht voor mijn vader. Ik heb hem nog geholpen te ontkomen. En ik loog glashard tegen mijn bloedeigen vader: ‘Ik kon niet anders, hij zou me wat hebben aangedaan.’

Hier, uit dit venster liet ik hem zakken. En met elke handlengte dat ik het touw liet vieren, voelde ik hem uit mijn leven verdwijnen. Hij vluchtte voor mijn vader, ja, maar hij vluchtte ook van mij.

Ook al was hij vogelvrij, hij voelde zich ook zo vrij als een vogeltje. Hij was gevlogen, ik wist het. Er kwamen geruchten over andere vrouwen. En geruchten werden verhalen, en de verhalen bleken te kloppen. Abigaïl, Achinoam, zo heetten ze. Of ze ook van hem hielden? Het staat er niet. Ik ben de enige vrouw in de Bijbel…

Mijn vader gaf mij aan Palti. Ja, hij gaf mij, zo ging dat. En ik gaf mij aan Palti. Aan een man die ik niet kende, waarvan ik niet hield, maar ik gaf mij aan hem. Palti was geen mooie jongen, hij had geen rood haar en geen schitterende ogen. Palti was gewoon. En ik was toen gewoon gelukkig. Ja, geloof het of niet, ik was gelukkig. Voor Palti was ik Michal, niets meer en niets minder. Nee, ik was David niet vergeten. Hoe zou ik hem kunnen vergeten? Maar hij was ver weg. En ik hoopte dat ook hij gelukkig zou zijn. Ik dacht toen dat onze wegen zich niet meer zouden kruisen.

Dwaas, dat ik was. Toen mijn vader stierf, werd David koning. En hij eiste me terug. Hij eiste me terug,’ want hij had toch niet voor niets 100 Filistijnen voor die vrouw gedood?’ Zo kwam ik terug bij David. Palti, gewone Palti, arme Palti, hij heeft gehuild. En huilend ging hij met me mee, tot het niet meer kon. En hij ging terug, terug naar het gewone leven, het goede gewone leven. Hij ging terug. En ik? Voor mij was er geen weg terug.

Opnieuw belandde ik in het paleis. Terug bij af. En weer had David geen tijd voor me. Druk als hij was met de koning zijn, de gevierde koning. De vrome koning, o ja. Hij zou de ark terugbrengen naar Jeruzalem. Het werd me een dolle boel. Kosten noch moeite werden gespaard, een optocht om nooit te vergeten.

En ik, ik stond voor het venster. En weer raakte ik hem kwijt. Want daar, vooraan de stoet, voor de ark, danste mijn David. Hij had niet meer aan dan een linnen hemdje. De nieuwe kleren van de keizer. En maar de sjofele koning uithangen. En maar feesten. En maar uitdelen.

Nee, ik ben het niet eens met al die Bijbeluitleggers die David prijzen dat hij zo gewoon is gebleven. Dat hij zich zo durfde te vernederen. Het was ook machtsvertoon. David vierde zichzelf. En ik, ik die van hem hield… ik stond voor het venster, ik kreeg niets, ik kreeg hem nooit.

Toen het feest voorbij was, ja toen kwam hij naar huis. ‘Om zijn huis te zegenen,’ staat er in uw Bijbel. U weet dat daarmee bedoeld is, om gemeenschap met mij te hebben? Toen wilde hij het opeens wel. Toen kon hij het. Weet u, ik kon het niet. ‘Mooie koning ben je, David. Je hebt je voor alle meisjes in de stad in je hemd gezet en nu kom je bij mij?’

‘Ik deed het voor de HEER’, zie hij, ‘de HEER die míj heeft uitgekozen en niet jouw vader en jouw familie.’ Uiteindelijk was ik voor David niet meer dan ‘de dochter van Saul’. Terwijl ik toch de vrouw was die van hem hield? Ik ben de enige vrouw in de Bijbel… Het is nooit meer goed gekomen tussen mij en David. Nooit werd ik de vrouw van David, of de moeder van zijn kinderen. Ik ben een blijf, Michal, de dochter van Saul.

Hier eindigt het verhaal van Michal. Een goed verhaal? Niet bepaald. Het verhaal van Michal staat voor de vele verhalen van mensen die werden vastgepind op hun afkomst, de vele verhalen van vrouwen die werden genegeerd en miskend, de vele verhalen van mensen die moesten samenleven met wie door de hele wereld als helden werden gezien, maar er nooit waren voor hen die hen het meest na stonden.

Het verhaal van Michal werpt ook een ander licht op het verhaal van David. Zijn bravoure, zijn successen en zelfs zijn vroomheid komen toch in een iets ander daglicht te staan. Natuurlijk, als we dit verhaal vanuit het perspectief van David zouden vertellen, zou het ook nog weer eens anders kunnen blijken te zijn. Maar toch, ook dit is David.

Toch is de grote vraag van het leven van Michal een andere. De grote vraag is een theologische vraag. Want Michal houdt van David, en David is Gods gezalfde, zijn Messias. Je kunt kennelijk je leven lang van Gods gezalfde houden en toch met lege handen staan. Dat is de realiteit waar het verhaal van Michal ons mee confronteert. Ze houdt meer dan wie ook van Gods gezalfde, maar het lukt niet. Niet alleen David wijst Michal af, ook God komt haar niet tegemoet.

Het verhaal van Michal bepaalt ons bij de andere kant van geloven. Niet de vreugde, maar het verdriet. Niet de overwinning, maar de nederlaag. Niet de vereniging, maar de afwijzing. Geloven in de God van Israël is ook verwarring, eenzaamheid, onbegrip.

De naam Michal betekent ‘wie is als God?’. En dat is inderdaad de grote vraag van het leven van Michal. Wie is als God? Dat is de grote vraag ook van ons leven, als mens en als gemeente.

Wie is als God? Was Jezus Messias niet als God in ons midden? Is Hij niet het antwoord op de vraag naar God? Of antwoord, Hij is degene die onze vraag tot de zijne maakt en zo het gewicht van onze vragen draagt. Je kunt Gods Zoon zijn en uiteindelijk eindigen in de dood. Hij is solidair met Michal en met de Michals in onze wereld, met de Michals onder ons. Met de gemeente die leeft met die vraag: wie is als U, Heer onze God, wie is als U?

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s