David (deel 1)

De komende tijd staan er lezingen over David op het leesrooster. Vandaag maken we kennis met David in 1 Samuël 16. Hieronder de preek die ik daarover hield.

Hoe wordt een mens wie hij is? Wie bepaalt wie wij zijn? Wat maakt mij tot wie ik ben? Zijn het de omstandigheden? De samenleving? De politiek? De tijd waarin je leeft, is van grote invloed op wie wij zijn.

Je kunt ook een vroom antwoord geven en zeggen: ‘Mijn geloof maakt mij tot wie ik ben.’ En zo is het. Het bepaalt onze kijk, op de wereld en op onszelf. En pas stond in de krant: ‘Kerkgangers hebben minder kans op depressie.’

Of zijn we cynischer en zeggen we: ‘Je genen bepalen wie je bent.’ Als je geluk had in de genenloterij leef je lang en gelukkig. Had je pech, vergeet het dan maar. En ook dat is maar al te waar.

Of zeggen we: ‘Nee, ik bepaal zelf wie ik ben.’ Het oordeel van anderen leg je naast je neer, je volgt je hart. We zijn allemaal jaloers op mensen die dat doen. En we kennen allemaal wel iemand die we het toewensen, dat ze dichtbij zichzelf blijven.

Hoe wordt een mens wie hij is? Wie bepaalt wie wij zijn? Wat maakt mij tot wie ik ben? Het gaat er nu niet om de verschillende antwoorden te beoordelen. Niet omdat de waarheid wel ergens in het middel zal liggen, maar omdat 1 Samuël 16 nog met een heel ander antwoord komt. Want waar komt David vandaan? Wie brengt David, de legendarische koning David, op het toneel?

Het zijn niet de politieke machthebbers die daarvoor zorgen. Koning Saul is niet op zoek naar een troonopvolger. Hij is vooral bezig met zichzelf. En het zijn ook niet Sauls politieke vijanden die David als leider van een paleisrevolutie naar voren schuiven.

Ook Samuel is niet op zoek naar David. De profeet en priester treurt om Saul en lijkt daarin te blijven hangen. En als hij op weg gestuurd wordt om een nieuwe koning te zalven uit hij vooral bezwaren. Nu is hij opeens bang voor Saul. Terwijl je gezien het voorafgaande zou verwachten dat het andersom zou zijn. Nee, het is dus ook niet de godsdienst die naar David uitkijkt.

David wordt ook niet door zijn familie gepusht om een rol te gaan spelen in Israëls geschiedenis. Bepaald niet zelfs. Als er geofferd moet worden, neemt niemand de moeite hem van het veld te halen. En waarom zouden ze ook? Als er zeven zonen zijn, heb je in Israël alles. Die achtste telt niet mee. Het nakomertje schiet over. Als Samuël vraagt of alle zonen er zijn zegt vader Isaï zoiets als: ‘O ja, de minste is er ook nog.’

Is het David zelf die zich in de kijker speelt? Is het zijn ambitie of talent waardoor hij opvalt? Treedt hij zelf uit de schaduw? Ook niet. David hoedt de schapen. En meer niet.

Het is zo overduidelijk dat niemand anders dan God David op het toneel van de geschiedenis brengt. God schuift hem naar voren. Er is niemand die Hem daarbij helpt. Er is niemand die het ook in David ziet. Saul niet, Samuël niet, Isaï niet, David niet. Niet de politiek, niet de godsdienst, niet de familie, niet het ego zorgt ervoor dat de geschiedenis verder gaat. Alleen God zorgt ervoor dat wat vastgelopen is weer op gang komt. Hij alleen.

Want, ‘de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart’. Het is deze gevleugelde uitdrukking die uitlegt wat er in 1 Samuël 16 gebeurt. Het is de sleutel tot het verstaan van wie David is en waar hij vandaan komt. ‘De mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’

Letterlijk staat er zoiets als ‘de mens kijkt met betrekking tot de ogen, de HEER kijkt met betrekking tot het hart’. De Nieuwe Bijbelvertaling en de meeste andere vertalingen trouwens ook interpreteren dat zo dat wij mensen kijken naar de buitenkant en dat God kijkt naar het innerlijk. Wij staren ons blind op uiterlijke schijn, God kent de waarheid van ons hart.

En hoezeer dat ook waar is – wij zíjn vatbaar voor wat zich groots en mooi voordoet en God ként en doorgrond ons dieper dan wij onszelf kennen – hoezeer dat ook waar is, ben ik mij tijdens de voorbereiding van deze preek meer en meer gaan afvragen of dat nu wordt bedoeld met wat er in 1 Samuël 16:7 staat.

Ik bedoel, dat onderscheid tussen de binnenkant en de buitenkant van een mens is meer iets van de 19e eeuw dan dat het Bijbels is. God kijkt wel degelijk naar de buitenkant, naar wat de mens dóet. Hij let op onze daden en niet op onze zogenaamde goede bedoelingen. Gerechtigheid dóen, daar komt het op aan. ‘Ja, maar ik bedoelde het goed’, is in de Bijbel nooit een excuus.

Dat zie je ook terug in 1 Samuël 16. Er staat niet dat er iets mis is met het hart van Eliab en uit het vervolg zal zoiets ook niet blijken. En er staat ook niets over Davids hart. In tegendeel, als hij dan op het Bijbelse toneel verschijnt, gaat het juist over zijn uiterlijk. ‘Hij was roodachtig, met schitterende ogen en zag er goed uit.’ En dus niet: ‘Hij had een goed hart.’ Of: ‘Hij was een gelovige jongen.’ Of: ‘Hij diende God trouw.’

Ik denk dus dat het in die uitdrukking, ‘de mens kijkt met betrekking tot de ogen, de HEER kijkt met betrekking tot het hart’ niet gaat om het hart waar God naar kijkt, maar over het hart waarmee Hij kijkt. God kijkt met het hart. En het hart is in de Bijbel niet de plaats van het gevoel, de emotie, maar de plaats van de wil, de beslissing, de keuze. Het gaat er om waar Gods hart naar uit gaat.

Ons kijken is het kijken van de ogen. Dan weer zien we dit, dan weer zien we dat. Of we staren ons blind op wat voor ogen is. Of we zijn onder de indruk van wat ons oog treft. Net als Samuël kijken we niet verder dan onze neus lang is en zien we alleen de onmogelijkheden als Saul mislukt of zijn we weer onder de indruk als zo iemand als Eliab verschijnt. Maar God kijkt met betrekking tot het hart. Hij kijkt hoe Hij zijn wil, zijn beslissing kan uitvoeren. Hij kijkt hoe Hij de geschiedenis weer op gang kan krijgen.

1 Samuël 16 gebruikt daarvoor de woorden verkiezen en verwerpen. God verwerpt Saul en later ook Eliab en Hij verkiest David. Het is op die manier dat de geschiedenis weer verder gaat. God gaat verkiezend en verwerpend zijn gang door onze geschiedenis. Sterker nog, alleen door zijn verkiezen en verwerpen is er überhaupt sprake van geschiedenis.

Nu moeten wij dat niet al te dogmatisch horen, alsof het hier gaat om de leer van de predestinatie en dan nog wel de dubbele predestinatie. Het gaat hier niet om eeuwig wel en eeuwig wee. Het Oude Testament kent als zodanig ook geen eeuwig leven. Geen predestinatieleer dus, die heeft zijn eigen plek en waarde, maar dat laten we nu rusten, dat we daar geen brokken van krijgen. Verkiezing en verwerping. Zo gaat God zijn weg. Zo ziet Hij telkens weer kans om toekomst te scheppen.

Dat God verkiezend én verwerpend zijn weg gaat, weten wij door de weg die God gaat met zijn volk en bovenal door de weg die Hij gaat met Jezus Christus. Christus betekent ‘gezalfde’ en dat is een kernwoord in 1 Samuël. David is de gezalfde. Maar niet alleen hij. Degene die het vaakst gezalfde – Messias in het Hebreeuws – wordt genoemd is heel verrassend Saul. David zelf noemt hem zo, tot het eind. Saul en David zijn beide Gods gezalfde, ze zijn beide messiaanse gestalten. In hun verkiezing én verwerping.

Want het is Jezus Christus zelf die als verkorene én verworpene de Messias is. Hij lijdt en sterft. En op zijn lippen ligt een Psalm van David: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ Jezus Christus is ook de verworpene. Zo is God onder ons aanwezig. Zo werkt Hij. Zo gebeurt er nog eens wat. Verkiezing en verwerping betekent niet dat God favorieten en antipathieën heeft, mensen die Hij mag en mensen waar Hij een hekel aan heeft. Zo staan wij in het leven. God had net zo veel reden om Saul te verkiezen en David te verwerpen. Saul had het in zich de ideale koning te zijn en David, wie doorleest in Samuël en Koningen leert hem kennen als opportunist en schuinsmarcheerder, als ongehoorzaam en zondig mens. Ja, dat hart van David zal ons nog tegenvallen.

Nee, verkiezend en verwerpend gaat God zijn weg. Hij bouwt op en breekt af. Hij verhoogt en Hij vernedert. Hij geeft en Hij neemt. Zijn volk weet dat. Zijn Zoon weet dat. Ja, wie dichtbij God staat zal het merken dat God zo en niet anders met ons bezig is.

Als de gemeente dichtbij God leeft, zal ook zij het merken. Wij zijn niet Gods lievelingetjes en wij hebben al helemaal geen kwaliteiten waarom God met ons bezig zou moeten. Ook wij zullen Gods verkiezing niet los van zijn verwerping kunnen ontvangen. In de kring om de Messias, als messiaanse beweging, staan wij als verkorenen en verworpenen in de tijd. Wij worden gebouwd en worden afgebroken, wij leven en wij sterven.

Want de mens ziet wat voor ogen is, maar God kijkt naar zijn hart. Dat is ook de sleutel tot het verstaan van ons leven, als mens en als gemeente. Dat is geen eenvoudige boodschap en ik weet ook niet of u er iets mee kunt, morgen op uw werk of in het gezin. Misschien, als ik het terugbreng tot de kern, wil Gods kijken met zijn hart ons zeggen dat Hij met ons bezig is. Dat we niet zijn overgeleverd aan aardse machthebbers, en ook niet aan onze godsdienstigheid, niet aan onze genen en niet aan ons ego. Nee, God is met ons bezig. Op zijn manier. En verborgen. In onze successen en niet minder in onze tegenslagen. In onze groei én in onze afbraak. In ons leven én in onze dood. Het is geen geluk of pech wat wij zien, het is Gods hart, het is zijn kijken naar ons bestaan. Zo gaat Hij met ons verder. Totdat Hij alles in allen is.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s