Moet dan nou?

Vandaag ging de preek over Lucas 8:26-39, de genezing van een bezetene, een mens zo vol dat hij zichzelf kwijt is geraakt. Iets wat ons ook kan overkomen.

Laten we bij het eind beginnen. Die varkens, die verdrinken. En Jezus lijkt dat wel goed te vinden. Dat is toch wel vreemd, nietwaar? Ik heb dit verhaal voorgelegd aan een paar mensen van de Jeugdkerk. De een appte diplomatiek dat ze het ‘erg onwaarschijnlijk’ vond. Een ander mailde dat je na zo’n verhaal op zijn minst een collecte voor de dierenbescherming moet houden.

Moet dat nou, met die varkens? Mijn antwoord vanmorgen zal zijn: ‘Ja, dat moet.’ Sterker nog, het kan niet anders. Maar dan komt het er wel op aan hoe je Lucas leest. Zijn Evangelie is evangelie, blijde boodschap. Het is geen proces-verbaal van de gebeurtenissen in Palestina in de jaren 0 tot 33 na Christus. Als we het zo lezen missen we waar het hier om gaat.

Als het een proces-verbaal zou zijn, dan zijn die varkens daar nu eenmaal. Toevallig. We kunnen ons daar iets bij voorstellen, een kudde varkens. Maar het gaat in het evangelie niet om toevallige feiten, maar om meer. Om dat te ontdekken moet je niet te snel denken dat je begrijpt wat je leest.

Een kudde varkens. Dat is eigenlijk heel vreemd. Varkens waren voor Israëlieten onreine beesten. Je mocht ze niet eten. Zo staat het in de Thora. In heel Israël werd dus geen varken gehouden. Er liepen misschien wat wilde zwijnen in de natuur, maar van kuddes varkens met varkenshoeders was beslist geen sprake. Varkens houden, dat deed men in het buitenland.

Wij zijn hier dus buiten Israël. Het verhaal speelt zich af in het buitenland. Het land van de Gerasenen wordt het genoemd. En niet voor niets wordt daarbij opgemerkt dat het ‘tegenover Galilea ligt’. Dat is niet alleen maar een geografische aanduiding. Tegenover wil hier zeggen dat het in het land van de Gerasenen zo heel anders is. Het leven is hier tegenovergesteld aan het leven in Israël. Heeft Israël de Thora, Gods regels voor het leven, hier zijn geen grenzen, zo van ‘niet omdat het moet, maar omdat het kan’. En kent Israël de God die bevrijdt, hier heersen de goden van het toeval en van het recht van de sterkste.

En hier, in dit gebied waar alles tegenovergesteld is, ontmoet Jezus deze gevaarlijke gek. Psychiatrisch patiënt, uitbehandeld. Het is een emotionele ontmoeting. Karel Eykman beschrijft het in zijn kinderbijbel Woord voor woord zo mooi:

‘Simon en Johannes vonden hem maar griezelig, die man. ‘Wat kan je nou nog voor zo iemand doen?’ dachten ze. Jezus wilde naar hem toe.

Maar meteen begon de man de schreeuwen en met stenen te gooien en te trappelen. ‘Ga weg!’ riep hij. ‘Ga weg! Jij bent goed. Jij bent van God. Dan heb je hier niets te maken! Weg jij! Ik ben niets, ik ben niets voor jullie! Alsjeblieft, alsjeblieft: ga weg!’

Jezus ging nog meer naar hem toe.

Hij vroeg: ‘Wat is je naam eigenlijk?’

‘Alles’, riep de man. ‘Alles door elkaar. Weet ik veel.’

Hij spong op en liet zich helemaal krampachtig stijf vallen, trappelend met het spuug om zijn mond.

‘Kom nou maar’, riep Jezus tegen hem.

Hij schudde hem door elkaar. ‘Nou moet het uit zijn! Hoor je! Je kan er niet tegenop. Goed dan, maar jij hoeft je niet in een hoek te laten trappen. Jij bent een mens. Ik hoor net zo goed bij jou. Gelóóf dat dat nou eens!’

Die man gaf nog één enorme schreeuw en bleef toen doodstil liggen. Hij bewoog niet meer. Ze schrokken. Ze dachten dat hij dood was.

Maar Jezus wilde dat niet. Hij pakte hem bij zijn arm. Hij zette hem met zijn benen op de grond. En toen eindelijk ging die man opeens snikken en huilen tegen Jezus’ schouders aan. Heel lang. En toen hij uitgehuild was, was hij moe.’

Twee werelden raken elkaar. De wereld van de drukte en de wereld van de rust. De wereld van de gekte en de wereld van Jezus. De wereld van de goden en de wereld van de God van Israël. Bij de Jeugdkerk begrepen ze heel goed dat die bezeten man meer is dan een toevallig daar aanwezig zijnde patiënt. Ze legden de link met hun eigen drukte. Onze jongeren leven in een volle wereld. Zo vol dat je er gek van kunt worden: je moet presteren op school, je moet goed voor de dag komen op de sociale media, verliefdheden nemen je in beslag. En het wordt er niet beter op als je volwassen wordt. Eén op de vier studenten raakt burn-out. Dertigers raken uitgeput. De tussengeneratie is overbelast. Ouderen klagen over drukte. Ook wij, jong en oud, leven in een wereld waar zoveel kan en mag dat het niet leuk meer is. Het is niet te doen. Je raakt jezelf kwijt. ‘Wat is je naam eigenlijk?’ ‘Alles. Alles door elkaar. Weet ik veel.’ Legioen.

Legioen is geen toevallige patiënt. Niet voor niets staat er dat hij ‘vanuit de stad’ Jezus tegemoetkomt. Hij is een vooruitgeschoven pion van de zogenaamd gezonde mensen. Ze noemen hem gek zodat zij zichzelf gezond kunnen noemen, maar ondertussen zijn ze net zo vatbaar voor bezetenheid.

Daarom schrikken ze ook zo geweldig als ze de man gekleed en bij zijn volle verstand aan Jezus voeten zien zitten. Dan is hij voor hen gevaarlijker nog dan hij was toen hij nog de schuimbekkende uitbehandelde gek was. Nu komt het ze te dichtbij. Ze voelen aan: als hij zo verandert door Jezus, dan kunnen ook wij niet blijven wie wij zijn. Laat hem daarom vertrekken. Wij hebben genoeg aan onze gezonde ego’s. Wij denken liever dat het met ons wel meevalt en dat wij niet vatbaar zijn voor allerlei geestelijk ongezonde bacillen, dat onze geest wel weerstand bieden zal aan allerlei dingen die ons kunnen bezetten.

Christenen zijn mensen van de overkant die zich uit de droom hebben laten helpen dat het leven zonder de God van Jezus een fijn leven is. Een leven zonder die God is niet fijn. Als alles mag en alles kan, wat moet je dan? Als alles kan en alles mag, dan moet er zo veel. Als alles kan en alles mag, hoe behoud je dan je vrijheid, hoe word je dan een mens met rust, aandacht, beheersing en liefde?

Als alles kan en alles mag, dan ren je maar, zonder te weten waar naartoe, tot je erbij neer valt. Als een kip zonder kop, zeggen wij. Als een door demonen bezeten kudde varkens, zegt Lucas.  Daarom gebeurt dat dus met die varkens. Om te laten zien hoe erg die man eraan toe was. Hij was op weg naar de afgrond.

Maar die varkens storten zich ook van de steilte af om te laten zien dat Jezus die man echt bevrijd heeft. De demonen zijn echt uit hem vertrokken, ze hebben zich niet tijdelijk verstopt. Ze zijn weg. Echt weg. Totaal en voorgoed. Dat is wat Jezus met je doet. Als je hem dichtbij laat komen. Als je niet langer gelooft dat jij zo normaal en gezond bent dat je Hem niet nodig hebt.

Daarom moet dan nu zo, met die varkens. Het kan niet anders. De boodschap van het verhaal vraagt er om. Als jij het prettig vindt om te geloven dat het niet echt zo gebeurd is, dan kan dat. Als je maar echt gelooft dat Jezus echt bevrijdt. Dat Hij ons een God leert kennen die het beste met je voor heeft. Dat Hij niet terugdeinst voor onze gekte. Dat je bij hem uit kunt huilen en opnieuw kunt beginnen. Dat Hij ons tot getuigen maakt van zijn liefde.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s