Herinneringen

Vandaag preekte ik in de Grote of Barbarakerk te Culemborg. Gelezen werd Deuteronomium 6:1-9 en Johannes 13:31-35.

Hoe je je iemand herinnert die er niet meer is, hoef ik jullie niet te vertellen. Het zijn soms de kleine dingen die een herinnering wakker roepen. Of het is juist een groot moment dat je tegen elkaar zegt hoe jammer het is dat zij of hij dit niet meemaakt. ‘Zij zou het zo anders hebben gedaan.’ Of: ‘Wat zou hij dit mooi hebben gevonden.’

Gebed van de zondag

Goede God,
Sommige dingen zouden we willen vergeten,
maar we raken ze maar niet kwijt;
en waarvan we dachten dat het altijd bij ons zou blijven
is op een dag zomaar verdwenen.
Hier herinneren wij ons U,
luisteren wij naar wat geschreven staat;
hier herinneren wij ons hoe Jezus
voorgoed en onvergetelijk in ons midden kwam;
en wij in zijn Geest leven.
Dat Hij ons uw liefde verklaart
en wegen wijst naar elkaar
en wij als nieuw
doen wat U bent: liefde.
Amen.

Preek

Hoe je je iemand herinnert die er niet meer is, hoef ik jullie niet te vertellen. Het zijn soms de kleine dingen die een herinnering wakker roepen. Of het is juist een groot moment dat je tegen elkaar zegt hoe jammer het is dat zij of hij dit niet meemaakt. ‘Zij zou het zo anders hebben gedaan.’ Of: ‘Wat zou hij dit mooi hebben gevonden.’

Het kan heel wonderlijk gaan met herinneringen. Soms vervaagt iets waarvan je vast geloofde dat je het nooit vergeten zou. En soms overvalt je een herinnering, op een moment dat je het niet verwacht, aan een detail waarvan je niet wist dat het ergens in je geheugen lag opgeslagen.

In het evangelie van deze zondag hebben we ook te maken met een herinnering. Op het eerste gezicht lijken die paar verzen algemene waarheden te bevatten. Gewoon een stukje Johannes-poëzie. Over Gods grootheid, en over de liefde. En tussendoor een opmerking over Jezus’ afwezigheid. Die opmerking zal ook wel de reden zijn waarom deze verzen zo vlak voor Hemelvaartsdag op het leesrooster zijn gekomen.

Maar als we het zo lezen en horen raken we iets kwijt. Het gaat om een herinnering en wel om een heel sterke herinnering. Het gaat om iets wat een onuitwisbare indruk maakte op de jonge Johannes. Iets wat hij als hij oud is geworden zo weer voor de geest kan halen. Terwijl hij het opschrijft, is hij weer daar en hoort hij Jezus weer spreken en voelt hij wat hij toen voelde.

Nu weet ik wel dat Bijbelwetenschappers aannemen dat het Evangelie volgens Johannes niet geschreven is door de discipel en latere apostel met dezelfde naam. En ik vind ook dat de christelijke gemeente beslist niet moet meedoen aan het verdacht maken van academische wetenschap. Maar om de impact te begrijpen van wat wij zojuist uit Johannes 13 gelezen hebben, wil ik de tekst toch nemen zoals die zich aandient: als een herinnering die Johannes jaren later nog zo ongelofelijk helder voor de geest staat.

De eerste woorden van het evangelie van deze zondag halen ons uit de vrijzwevende tijdloosheid en brengen ons naar een heel specifiek moment en een heel specifieke plaats. ‘Toen hij weg was, zei Jezus…’ Die ‘hij’ dat is Judas. Wij zijn hier aan de tafel van het laatste avondmaal. Dat is wat Johannes zich herinnert.

De tafel is gedekt voor een feestelijk Pesachmaal. En rondom de tafel liggen Jezus’ leerlingen, alle twaalf. Johannes ligt naast Jezus. Ze liggen op hun zij, naar elkaar toe. Als geliefden. Er is een stille vreugde in het hart van Johannes.

Als je kijkt naar het gezicht van Jezus trekt het verdriet dat je daar ziet ruw een scheur door je geluk. ‘Een van jullie zal mij verraden.’ Verbijstering maakt zich van je meester. Verraad? Wij?

De koude angst klemt zich rondom je hart. Nog dichter leun je naar Jezus toe, en je fluistert: ‘Wie?’ ‘Degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik nu in de schaal doop,’ zegt Hij, zo zacht dat alleen jij het hoort. Je ogen flitsen naar het stukje brood en je kunt je blik niet meer afwenden. Het is alsof de tijd stilstaat, alles om je heen vervaagt, je kunt niet meer nadenken, je neemt alleen nog waar. Tergend langzaam gaat Jezus’ hand naar de schaal met olie en van daar met een trage maar besliste beweging naar… Judas. Opeens komen je gedachten weer op gang en raast het in je hoofd. Judas?! Hij?! Er is dus echt een verrader in ons midden.

Jezus houdt het brood even vast. Lang genoeg om oogcontact te maken. ‘Doe maar meteen wat je van plan bent.’ Heel even kijkt Judas en dan staat hij op en gaat hij. Alleen jij weet wat er gebeurt. En wat er gaat gebeuren.

En dán spreekt Jezus over Gods grootheid en over de grootheid van de Mensenzoon. ‘Nú is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar geworden…’ Nú. En het eindigt daar ook mee. ‘…God [zal] hem ook in die grootheid laten delen, nu onmiddellijk.’ Onmiddellijk. Hetzelfde woord wat Jezus net gebruikte: ‘Doe maar méteen wat je van plan bent.’ Hetzelfde woord wat wordt gebruikt als er staat dat Judas ‘meteen’ weggaat.

Meteen. Onmiddellijk. Nu. Op dit moment. Nu het verraad plaatsvindt. Nu is begonnen wat onvermijdelijk leidt tot het einde. Nu de raderen draaien, de raderen waartussen Jezus vermorzeld zal worden.

Nu is het moment van Gods grootheid. Johannes herinnert het zich beter nog dan de dag van gisteren. De verbijstering over het verraad. Maar meer nog de verbijstering dat Jezus juist dan spreekt over Gods grootheid. Niet alleen Johannes’ beeld van zijn eigen kring, de leerlingen van Jezus, blijkt niet te kloppen, ook zijn beeld van God moet hij radicaal bijstellen.

Deze God, deze unieke God, de enige, de enige die ons vertrouwen waard is, de geloofwaardig is, zijn grootheid en heerlijkheid is te zien in een mens die verraad en dood recht in de ogen kijkt. Die de weg gaat die Hij alleen kan gaan. En dat doet tot het einde.

En die op dat moment weet te spreken over liefde. Dát blijft Johannes nog wel het meeste bij. Dat je dat kunt, op zo’n moment. ‘Heb elkaar lief.’ Johannes raakt het zijn leven lang niet meer kwijt. Later zal hij brieven schrijven – en nogmaals, of het dezelfde Johannes was, is onzeker, maar in de gemeenschap der heiligen en goede literatuur is misschien ook wel niet zo belangrijk – later zal hij brieven schrijven en in een van die brieven komt hij tot de even eenvoudige als duizelingwekkende uitspraak: ‘God is liefde.’ Alsof hij dan de conclusie trekt die hier al onontkoombaar is.

‘Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief.’ Natuurlijk is dat een nieuw gebod. Niet zoals wij telkens op zoek zijn naar iets nieuws of zoals ons de behoefte aan iets nieuws wordt aangepraat. Het is een nieuw gebod zoals het licht van de morgen elke dag nieuw is. Zoals de blik van je geliefde elke dag nieuw is. Zoals het hier en nu elke dag nieuw is.

Het is nieuw zoals op deze zondag Cantate ons lied nieuw is. Zing voor de Heer een nieuw gezang! Natuurlijk is het fijn zo nu en dan een nieuwe melodie of een nieuwe tekst tegen te komen, maar nieuw is een lied doordat wij het hier en nu op de lippen nemen. Pas als wij, als onze longen en stembanden, onze lichamen het tot klinken brengen, is het lied er, en het is er als nieuw. Zo is het ook met het gebod van de liefde.

Nieuw is het gebod ook door Jezus’ toevoeging: ‘Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.’ Doe het my way. Jezus’ weg maakt een onuitwisbare indruk. Zijn moed een graankorrel te zijn, een graankorrel die alleen door te sterven vrucht draagt. ‘Loving you is a losing game’. En toch kiezen voor liefde! Wij worden uitgenodigd ons met Johannes daarover te verbazen, van de ene verbazing in de andere te vallen.

Door die levenslange verwondering daarover ontstaat de mogelijkheid elkaar lief te hebben. Jezus’ eigen weg schept zo de ruimte voor het gebod van de liefde. ‘Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.’ Onze liefde mag een teken zijn van Christus’ liefde. Waar wij belangeloos en pretentieloos aanwezig zijn, dapper en vindingrijk, het verwijst naar wat Hij doet. Waar wij elkaar elke dag opnieuw het licht in de ogen gunnen, het is niets minder dan zijn liefde. Waar wij als alle houvast wegvalt en niets meer is wat het lijkt, meer blijken te zijn dan onszelf, meer durven dat we ooit voor mogelijk hielden, het is zijn opstanding in ons.

Dat wij ons daarover altijd verwonderen. Dan is de herinnering aan Hem ons tot zegen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s