‘Wees toch blij!’

Op deze vierde zondag in de Veertigdagentijd lezen we o.a. de overbekende gelijkenis van de verloren zoon (Lucas 15:11-32). Het thema van de preek ‘Wees toch blij’ ontleen ik aan de antifoon bij de Psalm van de zondag ‘Verheug u met Jeruzalem, bedroefde, juich over haar!’

‘Wees toch blij.’ Dat is wat Jezus met de gelijkenis van de verloren zoon wil zeggen. ‘Wees toch blij.’ Jezus spreekt op zijn weg naar Jeruzalem de Farizeeën en de Schriftgeleerden aan die morren omdat Jezus zondaars ontvangt en met hen eet. ‘Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren,’ zo begint Lucas 15.

De tollenaars en zondaars weten dat bij Jezus iets te horen valt wat anders is, iets wat alles anders maakt. Iets wat de grijsheid van hun leven doorbreekt. Jezus’ woorden troosten en omarmen je, maar op zo’n manier dat je verandert, in beweging komt, opnieuw begint. Jezus’ woorden reiken naar je hart, raken je ziel. In wat hij zegt klinkt niets door van de burgerlijke of religieuze verontwaardiging die je zo vaak gehoord hebt dat je er zelf in bent gaan geloven. In zijn woorden hoor je een liefde die alles verdraagt, alles gelooft, alles hoopt, in alles volhardt.

De Farizeeën en de Schriftgeleerden daarentegen komen hun verontwaardiging niet voorbij. We kunnen daarvoor allerlei oorzaken bedenken. In de geschiedenis van de kerk ontspoorde dat nogal eens in allerlei anti-Joodse sentimenten. Laten wij ons daar verre van houden. Het is ook niet eens zo heel interessant waar dat gebrek aan vreugde bij de Farizeeën en Schriftgeleerden vandaan komt. Veel interessant is hoe het staat met de blijdschap onder ons.

‘Wees toch blij.’ Op deze zondag Laetarewordt dat tegen ons gezegd. Verheug u! En hoe reageren wij daarop? Hoe horen wij zo’n oproep? Er is reden genoeg om niet blij te zijn. Er kan van alles zijn wat de vreugde in de weg staat. Verdriet, zorgen, pijn, eenzaamheid… Ik hoef u niks te vertellen.

Ook de samenleving lijkt niet bijzonder blij. Hoe je de verkiezingsuitslag ook interpreteert en waardeert, het is niet de vreugde en de blijdschap die hebben gewonnen. En je wordt er ook niet vrolijk van, van alles wat je hoort en leest. Soms denk je dat het misschien maar het beste is om niet al te veel te horen en te lezen. Voor je ziel zou dat misschien wel goed zijn.

‘Wees toch blij.’ Ook in de gelijkenis van de verloren zoon heeft de blijdschap het moeilijk. Was het maar geëindigd met die vader die zijn zoon weer in de armen sluit, die hem vergeeft en opnieuw opneemt in zijn huis, die tegen iedereen die het horen wil zegt: ‘…deze zoon van mij is dood geweest en herleeft, was verloren en werd gevonden!’ En dat het dan eindigt met: ‘En zij beginnen feest te vieren.’ En ze leefden nog lang en gelukkig. Was het zo maar geëindigd.

Maar dat zo eindigt het niet. Vreugde is nog niet zo makkelijk. En we kunnen ons iets voorstellen bij de bezwaren van die oudste zoon. Een beetje zuur klinkt het allemaal wel, maar die vader maakt zich er wel makkelijk vanaf door te zeggen: ‘Alles wat van mij is, is van jou’. Nooit een compliment, ‘want je weet toch dat ik van je houd’. Zo werkt het natuurlijk niet.

En hoe zou het verder zijn gegaan, daar in dat huis met die vader en zijn twee zonen? Als de volgende dag het feest voorbij is. Het kalf opgegeten, de muziek verstomd, hoofdpijn van de wijn, de rommel opgeruimd, het huis geveegd. Hoe moet het dan? Gewoon weer verder, alsof er niets gebeurd is? Alsof die jongste zoon gewoon thuis is gebleven? Alsof hij zijn vader en zijn broer niet in de steek heeft gelaten? Hoe moet je dan verder? En heeft die vader dan genoeg aan zijn blijdschap bij het weerzien?

Vreugde is een kwetsbaar ding. Er is altijd wel een wolkje aan de hemel. Kunnen wij pas vrolijk zijn als in alle andere levensbehoeften is voorzien? Ons lied aan het begin van de dienst wijst een andere weg. ‘Wees blijde nu… in ‘t midden van het lijden…’ Blijdschap te midden van het lijden. Een vrolijke zondag midden in de Veertigdagentijd. Vrolijk, bijna ondeugend roze te midden van het zware diepe paars. Een streep zonlicht op een regenachtige dag. Een glimlach uit de hemel.

Volgens het christelijk geloof is de diepste bron van vreugde de opstanding van Jezus Christus. Daar zijn we naar op weg – het wordt Pasen! De opstanding wil zeggen dat God voorbij onze mogelijkheden en onmogelijkheden iets kan doen. Dat onze werkelijkheid en de wetten van onze werkelijkheid opengebroken kunnen worden. Dat er iets kan gebeuren wat ons denken en onze taal te buiten gaat. Iets wat we niet van tevoren kunnen omschrijven, iets wat we niet achteraf kunnen toetsen, en desondanks alles anders maakt.

Daarom is een christen een vrolijk mens, iemand die vrolijk kan genieten. Niet omdat de wereld een paradijs is, ook niet omdat wijzelf zulke prettige mensen zijn, maar omdat Jezus is gestorven en opgestaan, in deze wereld, voor ons, voor iedereen. Al het goede wat ons ten deel valt, van een mooi mens tot een goed glas wijn, van zonlicht tot een glimlach, ze herinneren ons eraan dat wij in Hem alles ontvangen hebben. En als je alles al hebt, dan kun je alleen maar blij zijn met wat je krijgt. Dat is genade.

En als dat mens lelijk doet, de wijn zuur is geworden, als de zon niet langer schijnt en er niets te lachen valt, dan raken we niet in paniek. Dan gaan we niet leuk doen, en we worden ook niet zuur. Juist omdat Jezus Christus de diepste bron van onze vreugde is, zal het lijden ons niet verrassen. De opgestane is immers de lijdende. Hij die ons vreugde geeft, is degene die ten onder ging aan en in een vreugdeloze wereld. Ze konden er de lol niet van inzien en ze kruisigde hem. Juist omdat Christus onze vreugde is peilen we alles wat die vreugde bedreigt des te dieper.

Het eindigt met ‘wees toch blij’. De opstanding is meer dan het lijden en de dood. Dat is uiteindelijk ook waarom het feest is in de gelijkenis. In de Nieuwe Bijbelvertaling is dat verdwenen, maar in de Naardense Bijbel hoor je wel dat het keerpunt in de gelijkenis van de verloren zoon is dat hij opstaat. ‘Ik zal opstaan’, zegt hij te midden van de beesten en het woord voor opstanding klinkt. ‘Ik zal opstaan.’ Jezus’ opstanding is niet alleen zijn opstanding, het is onze opstanding, ieders opstanding. Hij is met ons in de dood, wij zijn met hem in het leven. Er is een kracht onder ons waardoor we telkens kunnen opstaan, opnieuw kunnen beginnen, de vreugde kunnen hervinden. Wees daarom toch blij. Verheug u.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s