H#m#n!

Net als in veel andere kerken in Nederland lezen we tussen Epifanie en de Veertigdagentijd uit het Bijbelboek Ester. We doen dat in verbondenheid met het Jodendom dat op 21 maart het Poerim- of Lotenfeest viert. Tijdens dat feest wordt in de synagoge uit Ester gelezen. Wij smeren het uit over meerdere zondagen. Vandaag Ester 3. Daarin gaat het over Haman. Net als in de synagoge maakten de kinderen in de kerk elke keer als zijn naam viel zoveel lawaai dat we zijn naam niet een keer gehoord hebben.

In Ester 3 staart het kwaad ons grijzend aan. Met alles wat kwaad kwaad maakt. Om te beginnen die bliksemcarrière – van enige verdienste van de kant van de nieuwe onderkoning horen we niets. Het lijkt er meer op dat Ahasveros van het gedoe van zijn wereldrijk af wil. Heeft de koning meer tijd nodig voor zijn drank en zijn meisjes? Het zou wel bij hem passen, nietwaar? Hoe het ook zij, de koning vindt iemand die het hem uit handen neemt en hij levert zich volledig aan hem uit.

Goddelijke aanbidding valt de omhooggevallen kroonprins ten deel. De mensen knielen en buigen, alsof God zelf voorbijkomt. Als Mordechai niet buigt, is hij zo rancuneus dat het hele joodse volk eraan moet geloven. Zo lichtgeraakt is het kwaad. Zo totaal en absoluut in zijn aanspraak op de macht.

Dan wordt het lot geworpen. Kwaad houdt van willekeur. Kwaad overgiet zijn daden graag met een sausje van quasi goddelijke noodzakelijkheid. ‘Niet ik heb het besloten, maar ik dien slechts het lot.’ Kwaad houdt van de schijn van onvermijdelijkheid. ‘We kunnen niet anders dan… We zullen wel moeten. We hebben geen keus.’ Maar je hebt altijd een keus. In het uiterste geval is het enige alternatief nog jezelf op te offeren, maar een keus heb je. Zichzelf opofferen kan het kwaad niet. Het offert anderen op het altaar van het eigen ego.

De koning wordt omgepraat. ‘Er is een bepaald volk…’ Ze zijn anders. En anders is een bedreiging. Anders is een bedreiging voor de veiligheid. En natuurlijk wordt er ook smeergeld aangeboden. ‘Tienduizend talent zilver.’ Het kwaad brengt wel offers, heel grote zelfs. De koning wuift het weg. En met hetzelfde handgebaar wordt het lot van de joden bezegelt.

Het staatsapparaat treedt in werking. Het systeem functioneert feilloos. Het kwaad maakt graag gebruik van onze zucht naar controle en orde. In de Tweede Wereldoorlog werden verhoudingsgewijs nergens zoveel joden weggevoerd als in ons land en dat had vooral te maken met onze ordelijke administratie en plichtsgetrouwe ambtenaren.

Iedereen in Perzië wordt op de hoogte gesteld. Een wet van Meden en Perzen. Op de dertiende van de twaalfde maand, alle joden, gedood en volledig uitgeroeid, jong en oud, vrouwen en kinderen inbegrepen, bezittingen buitgemaakt. Juridisch vakwerk. Helemaal dichtgetimmerd. De beklemming van het kwaad is voelbaar. Het staart ons grijzend aan. Hoe denk je hieraan te ontkomen? ‘Laat alle hoop varen.’

Als Israël spreekt over het kwaad, dan noemt ze de naam Amalek. Amalek was de kleinzoon van Ezau, en zijn nakomelingen worden de Amalekieten genoemd. Zij waren de meeste beruchte vijanden van de Israëlieten. Toen Israël door de woestijn trok, bevrijdt uit de slavernij, vielen de Amalekieten ze aan. Deuteronomium 25 vertelt daarover. ‘Vergeet niet wat de Amalekieten u hebben aangedaan tijdens uw tocht uit Egypte. Toen u uitgehongerd en uitgeput was hebben ze gewetenloos, zonder enig ontzag voor God, de achterhoede overvallen, waar de zwaksten zich bevonden.’ Dat is Amalek, dat is het kwaad. Het pakt je als je zwak bent en het raakt je waar je het kwetsbaarst bent. Amalek haat zwakheid. Het kwaad haat kwetsbaarheid.

 

Israël en Amalek staan tegen over elkaar. Twee manieren van kijken, twee manieren van leven die haaks op elkaar staan. Diametraal tegenover elkaar verhouden ze zich tot elkaar als licht en duister, als warmte en kou, als leven en dood. Israël krijgt de opdracht Amalek uit te roeien, het kwaad moet te vuur en te zwaard bestreden worden. Het is of/of, hier valt niet te marchanderen. Dit is de intolerante kant van Israëls geloof.

Maar, zoals zo vaak, blijkt het kwaad weerbarstig. Amalek leeft voort. Eeuwen later, in de tijd van koning Saul, zijn daar weer de Amalekieten. Aangevoerd door hun koning Agag trekken ze opnieuw ten strijde tegen Israël. De profeet Samuel bindt koning Saul nog op het hard geen genade te hebben. Saul echter laat koning Agag in leven. Hij denkt dat Agag levend meer waard is, nog wat zou kunnen opleveren. Saul vergist zich. Je kunt met het kwaad geen deal sluiten. Wie met het kwaad denkt iets te kunnen winnen, leidt schade aan zijn ziel. Sauls hebzuchtige laksheid is het begin van de verwijdering tussen hem en Samuel, het begin van zijn einde. Amalek leeft voort.

Op de vooravond van het Poerimfeest leest men in de synagoge uit de Thora over Amalek. ‘Toen kwam Amalek…’ Want een Agagiet – zo eentje van de Amalekitische koning Agag – duikt in Ester op als de grote tegenstander. Amalek leeft nog. Het kwaad is niet dood te krijgen.

In Ester 3 staart het kwaad ons grijzend aan. De synagoge stelt voor het kwaad dood te zwijgen, of nee, om het te overstemmen. Ratelen, stampen, joelen. ‘Hij die niet genoemd mag worden.’ Is dat dan de oplossing? ‘Hij die niet genoemd mag worden.’ Zij die de Harry Potterboeken hebben gelezen, weten dat met die woorden de grote tegenstander van Harry wordt aangeduid. Dat Harry een uitzonderlijke tovenaar is, blijkt onder andere ook in de vrijmoedigheid waarmee hij zijn tegenstander bij zijn naam noemt. Voldemort. Juist door het kwaad bij zijn naam te noemen, ontneem je het zijn macht. Door het kwaad in het licht te roepen, ontneem je het de mogelijkheid om in het duister te regeren en angst en haat in de harten te zaaien.

Ja, je moet het kwaad recht in de ogen kijken. Amalek leeft. Agag leeft. ‘De zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag’ leeft. Haman. Ja, Haman. Altijd maar weer die Haman.

De Schrift laat ons niet in het ongewisse over de wereld waarin wij leven. Wij leven in het machtsgebied van het kwaad. Wij leven in de wereld van Haman. Telkens weer steekt hij de kop op. Laten we niet naïef zijn. Het valt niet mee en het houdt niet op, niet vanzelf. En nee, het kwaad laat niet altijd zo duidelijk zijn gezicht zien als bij Haman, maar de mechanismen zijn veel vaker zichtbaar. De willekeur, de schijn van onvermijdelijkheid, de offers die gevraagd worden, de rancune van de enkeling en het zwijgen van de massa.

Niet voor niets bidt Christus voor ons en met ons: ‘En verlos ons van de boze.’ Dat gebed is geen overbodige luxe, geen relikwie uit een ver verleden, het is een uiterst actueel gebed. Een gebed dat actueel zal zijn tot het einde der tijden. Dan zal het gedaan zijn met het kwaad. Maar nu leven er middenin. Dat zegt ons Ester 3. Daar moeten we niet al te snel overheen met allerlei geloofsuitspraken. Nu leven wij in de tijd van het kwaad. Dat wij als Mordechai niet buigen. Dat wij als de synagoge lawaai maken als Haman van zich laat horen. En dat wij blijven bidden: ‘Laat komen, Heer, uw rijk.’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s