‘En ze leefden nog lang en gelukkig.’

Vandaag preekte ik (voorlopig) voor het laatst over Job. We lazen het slothoofdstuk, Job 42.

En ze leefden nog lang en gelukkig… Het boek Job eindigt als een sprookje. Job etend en drinkend te midden van zijn vrienden en familie, rijker dan ooit, het familiebedrijf opnieuw succesvol. Eind goed, al goed. Beter dan ooit zelfs. Sprookjesachtig.

Een suikerzoet sprookje zelfs. In het hele land geen mooiere meisjes dan de dochters van Job. Jemima, Kesia en Keren-Happuch, de Nieuwe Bijbelvertaling laat hun namen onvertaald. Maar die drie schoonheden heten in goed Nederlands Duifje, Parfumpje en Make-upje. Troetelnamen zijn het. Job ziet zijn nakomelingen tot in het vierde geslacht en sterft, ‘oud en der dagen zat’ (Job 42:17 Statenvertaling). Bijbelse taal voor ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’.

Gelooft u in sprookjes? Ja, we willen graag in sprookjes geloven. Even wegdromen. Even zwijmelen. De verhalen over succesvolle mannen en mooie vrouwen doen het nog altijd goed. Maar we weten ook, dat is niet het echte leven. De glitter en de glamour is nep. Het echte leven is geen sprookje. De dingen zijn niet zwart-wit en wij echte mensen zijn te midden van de grijstinten eindeloos op zoek naar een levensweg. En ze leefden nog lang en gelukkig?! Ik dacht het niet.

Wat vindt u van het einde van het boek Job?

De filosoof zou het graag anders zien. Die zou graag zien dat Job na alles wat hem is overkomen weet hoe je als mens met het lijden moet omgaan. Een soort stoïcijnse levenshouding. De omstandigheden heb je niet in de hand, maar je eigen reactie daarop wel. Als je maar goed kijkt wat er aan de hand is, eerlijk onder ogen ziet wat er gebeurt, dan kun je het wel aan. Het enige wat Job te zeggen heeft, is dat het hem allemaal boven de pet gaat.

De therapeut zou het ook graag anders zien. Die zou graag zien dat Job tot gerijpt zelfinzicht is gekomen. Dat hij het allemaal ‘een plek heeft gegeven’. En dat Job op een gezonde manier rouwt om zijn dode kinderen. Maar hij krijgt er gewoon weer tien en de suggestie wordt toch wel gewekt dat daarmee dat dan ook weer achter de rug is.

De jurist vindt het ook maar niks. Naar oud-Oosterse maatstaven wint Job de rechtszaak. Immers, hij krijgt het dubbele van wat hij eerder bezat. In de oud-Oosterse rechtsspraak heb je dan gewonnen. Maar klopt dat wel? Job daagt God voor het gerecht. ‘U weet dat ik niet schuldig ben…’ (Job 10:7), zegt hij. Zijn vrienden zijn de getuigen die God voor onschuldig houden. En als dan eindelijk de gedaagde spreekt, dan blijkt God eerder de rechter dan de verdachte is. En Job doet er het zwijgen toe, hij trekt zijn aanklacht in. Hoe kan het dan dat Job toch zo gezegend wordt?

Laten we het eens aan een schrijver vragen. Die zal erop wijzen dat het einde van Job past in de oosterse verteltraditie. Ik heb u al eerder gezegd, er zijn ook in andere oosterse culturen verhalen als dat van Job bekend. Maar in de Bijbel past dat slot eigenlijk niet. Er is hoofdstukken lang gestreden om de waarheid. Er is geworsteld met God. Het is langs de afgrond van ongeloof en de dood gegaan. En dan dit mierzoete einde. Literair een misser van jewelste. Waarom Job niet laten sterven in eenzaamheid? Waarom geen open einde, zodat wij als lezers het met onze eigen fantasie en ons eigen leven af kunnen maken?

[De econoom wil ook wel eens weten hoe dat kan. Job met zijn oneindige bezit. Is dat een eerlijke verdeling van geld en goederen? Wel opmerkelijk is dat aan het eind van Job niets meer over slaven wordt gezegd. In Job 1 is nog sprake van ‘een groot aantal slaven en slavinnen’. Op deze eerste juli, Keti Koti, is dat dan toch een teken van hoop.

De feminist zou nog kunnen wijzen op de mededeling dan Jobs dochters een even groot erfdeel krijgen als hun broers. Maar dat ze de mooiste vrouwen van het land worden genoemd? Wat is dat voor patriarchale manier van kijken naar vrouwen? Duifje, Parfumpje en Make-upje. Ze dienen hier vooral als ornament, als versiering van Jobs succes.]

De theoloog dan? Die wordt er ook niet vrolijk van. Dat godsbeeld van Job 42, daar kunnen wij niet mee uit de voeten. God als de almachtige, als degene die je maar moet vertrouwen, wat je ook overkomt. God als het lot. En God ook als degene die de vrome beloont. Is dat de God van Israël? Is dat Vader, Zoon en heilige Geest?

De pastor van Job dan? Job komt niet echt over als iemand die in zijn geloof gegroeid is. Er is wel geprobeerd dat erin te lezen. Job zegt: ‘Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.’ Alsof Job God nu rechtstreeks en persoonlijk kent, terwijl hij vroeger God alleen maar kende ‘van horen zeggen’.

Maar ook dat is niet zo. Mijn docent klassieke talen zou van wat er in onze vertaling staat zeggen: ‘Het is verrukkelijk Nederlands, maar het staat er niet.’ Er staat niet dat Jobeerstehoorde en nuziet. Er staat dat Job hoort met zijn oren en zo tot inzicht is gekomen. Later zal Paulus schrijven dat het geloof ‘uit het gehoor’ is (Romeinen 10:17). Wij kennen God alleen maar van horen zeggen en daar is niets mis mee. Of in ieder geval, het is niet anders. Zo komt God tot ons.

Nog eens: wat vindt u van het einde van Job? Als je het zo overziet, dan zitten ook wij aan het eind in stof en as. Is dit dan het Bijbelboek Job? Moet het nu zo aflopen?

De schrijver van het boek Job heeft, de kerk zegt, geïnspireerd door heilige Geest, toch gemeend van dat volksverhaal waarin het goed afloopt met Job ook het slot te gebruiken. Ik heb al eerder gezegd dat ik de schrijver van Job er van verdenk een groot gevoel voor ironie te hebben. Kijk, zonder Job 42 zou Job een verheven romanpersonage zijn gebleven. Een held, een geloofsheld. Iemand op wie je zou willen lijken, zo dapper, zo vermetel, zo sterk. Ja, zo zou ik moeten zijn. En ik zou me ook realiseren dat ik zo niet ben.

Job als held. Die vlieger gaat dus niet op. Het beeld van de getergde held wordt door de schrijver van Job vakkundig om zeep geholpen. Job eindigt in de burgerlijke zelfgenoegzaamheid. De pater familias die welgevoed tevreden de kring rondkijkt. Succesvolle zonen, mooie dochters, klein- en achterkleinkinderen.

Zo wordt ons Job ook weer ontnomen. Hij kan niet onze held blijven. Het hoeft ook niet. De zwaarte van het boek Job blijft niet op ons drukken. We mogen ons op het eind vrolijk maken om Jobs burgerlijkheid, om zijn mooie dochters en duizelingwekkende rijkdom. De zwaarte van de vraag naar het lijden wordt van ons afgenomen. Het einde van het toneelstuk Job is niet dat wij in zak en as de zaal verlaten. Bedrukt om het lot van Job en om ons eigen lot. We hoeven het duister van de geschiedenis, de nood van de wereld, de afgrond van de dood en de pijn van het bestaan niet zonder einde mee te dragen.

De filosoof, de therapeut, de jurist, de econoom, zelfs de theoloog en de pastor, ze mogen denken wat ze willen, maar de Bijbel stuurt ons niet terug naar het gewone leven zonder genade, niet zonder gein. We mogen er ook gewoon even om lachen. Wij krijgen geen sluitende theorie over God en het lot. Geen geloofsheld om na te volgen. Geen oplossing. Het boek Job is geen oproep om ons lot dapper te dragen. Nee, dat is teveel gevraagd. Als het lukt om te dragen wat je overkomt, te genieten van wat je toevalt en dat te doen samen met wie bij je horen, dan is dat al heel wat.

Zo sluiten wij het boek Job, met een weemoedige glimlach. We keren terug naar het gewone leven. Sadder and wiser, verdrietiger en wijzer. Wij hoeven het lot niet te dragen. Is dat trouwens niet precies wat het Evangelie ons zegt?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s