Antwoord uit het onweer

Vandaag preekte ik over Job 38. God “antwoordt” Job uit het onweer. Maar is het wel een antwoord? We lazen ook Marcus 4:35-41.

Daar staat Job. Eenzaam en alleen op de kaalgeslagen vlakte van zijn miserabele leven. Voor hem de afgrond van het lot dat hem heeft getroffen. Job staart met lege ogen in het diepe niets.

Zijn vrienden hebben hem geprobeerd uit te leggen hoe het komt. Ze probeerden de afgrond iets minder diep te maken. ‘Je zult gezondigd hebben.’ En later als Job ontkent: ‘Je zegt wel dat je niet zondigt, maar dan is dat je zonde: hoogmoed.’

Job heeft gevochten voor zijn onschuld en integriteit. Hij heeft God tot zijn getuige gemaakt. ‘U weet dat ik onschuldig ben.’ (Job 10:7a) Job is de klokkenluider van zijn oprechte bestaan. ‘Nou, Job, nu maak je toch wel te bont.’ ‘Natuurlijk, je mag boos zijn, maar op een gegeven moment moet het toch wel over zijn.’ ‘Je moet toch verder.’

Job staart in het niets. Het einde van de wereld is dit. Maar Job staat nog altijd rechtop. Hij is niet gebroken. Hij is niet door de knieën gegaan. Hij is niet gezwicht voor de druk die op hem werd uitgeoefend.

Zo zie ik hem daar staan, aan de rand van de afgrond. En dan komt opeens van over de afgrond – van de andere kant… is er dan een andere kant? – dan komt ervan over de afgrond een noodweer opzetten. Dreigend naderen de donkere wolken. Job ziet ze komen, maar voor vluchten is het te laat. En ik geloof ook niet dat Job nog wil vluchten, dat hij nog kan vluchten. Job heeft niets te verliezen.

Job staat rechtop als de wolken breken, de bliksem flitst en de donder langs de hemel rolt. In dit noodweer is zoveel samengebald. Alsof in een keer de sluizen van de hemel opengaan.

‘De HEER antwoordde Job vanuit een storm.’ God heeft lang gezwegen. Hij heeft het allemaal aangehoord. De vrome vrienden en de vermetele Job. Hij heeft zich op de lippen gebeten. Tot Hij het niet langer in kan houden. En dan flits en knalt het. Dan regent het vragen. ‘Waar was jij?’ ‘Heb jij de wereld geschapen?’ ‘Heb jij het bedacht?’ ‘Wat weet jij er eigenlijk van?’

De vragen striemen Job als regenvlagen in het gezicht. Job krijgt de volle laag. Een heel hoofdstuk lang. En als u dat al lang vond, het gaat nog drie hoofdstukken zo verder.

En Job staat daar. De regen slaat in zijn gezicht. Maar de striemen lijken hem niet te deren. Integendeel, het lijkt wel alsof ze hem goed doen. Striemen die genezing brengen. De zweren waarmee Job is bedekt worden gekoeld, de jeuk neemt af, de pijn lijkt minder te worden.

Want God spreekt! God spreekt! Eindelijk. Erger dan Gods verwijten was Gods zwijgen voor Job. Ook al gaat God de ongelijke strijd met Job aan, ook al veegt Hij de vloer met Job aan, ook al maakt God Job met de grond gelijk, Job blijft staande in de storm van Gods oordeel.

Job heeft niets meer te verliezen, moegestreden geeft hij zich over aan de storm. Wat moet je ook anders? Wat kun je als mens anders doen als God je zo op je nummer zet? O, dus jij bent succesvol? Dacht je dat je ergens recht op had dan? O, dus jij bent zo vroom? Nee, dat maakt indruk. O, dus jij vindt jezelf zo belangrijk? Ik laat je graag in die waan. Maak je geen illusies, mens.

Het kan heel heilzaam zijn als ons dat zo nu en dan wordt voorgehouden. Dat we maar kleine mensen zijn. Dat we niet zo heel veel voorstellen. Of in ieder geval minder dan we geneigd zijn te denken. God vragen zijn het ventiel op onze opgeblazen ego’s. De vinger die de zeepbel doorprikt.

Dat zou de boodschap van de preek kunnen zijn. Een herinnering aan onze kleinheid. Het zou ons goed doen, denk ik, mij in ieder geval wel. Het zou een opluchting kunnen zijn ook. Het zou een heleboel stress schelen als we een beetje realistisch over onze eigen belangrijkheid zouden gaan denken. En wie dat wil kan zich overgeven aan wat ons te boven gaat, kan zich toevertrouwen aan wat ons draagt, kan zich overgeven aan de grote God, bron en doel van ons bestaan. En net als Job rechtop staan in de storm.

Toch zijn er twee vragen die mij ervan weerhouden om hier amen te zeggen. Een vraag over Job en een vraag over God.

Bij Job vraag ik mij af of het niet al te stoer is wat hij doet, de storm trotseren. Job is dapper, stoer, vermetel zelfs. Maar komt de lat niet heel hoog te liggen? Onbarmhartig hoog? Wie kan wat Job doet, zo met zijn kop in de wind? Zo rechtop blijven staan als alles omvalt? Ik begrijp die leerlingen later in dat bootje op het meer wat dat betreft beter. ‘Wij vergaan.’ zeggen ze, als ook zijn in een storm zijn terechtgekomen.

Je hoeft niet bang te zijn? Hoe kan Jezus slapen als de golven tegen de boot beuken en het water stijgt? Jezus kan wel aan het vragen waarom ze zo weinig moed hebben en of ze nog steeds niet geloven, maar ondertussen heeft Hij die storm toch maar even het zwijgen opgelegd.

Dat brengt mij bij mijn tweede vraag, de vraag over God. Jezus legt de storm het zwijgen op. Noodweer – storm, onweer – wordt in heel veel religies gezien als godsopenbaring. Ook onze voorouders geloofden dat. Toen het christendom hier nog niet was, hoorde men hier ook in elke donderklap en windvlaag de stem van de goden.

Daar sluit Job 38 helemaal bij aan. Als de HEER dan eindelijk spreekt, spreekt Hij in een storm. En wat wil het nu zeggen dat Jezus hier de storm het zwijgen oplegt? Gelooft Jezus misschien niet in een God die spreekt in een storm, of in onweer? Wil Jezus laten zien dat een storm geen godsspraak maar een natuurverschijnsel is? Je hoeft niet bang te zijn, want het is geen stem uit de hemel.

Zit er misschien diep in ons een verlangen dat God af en toe over ons dondert? Verwachten wij diep van binnen niet toch dat God iemand is om bang van te zijn? Gaan wij er misschien stiekem toch van uit dat God het lot is, het lot dat als een storm je hele leven kan verwoesten, wegblazen?

Jezus legt dat godsgeloof het zwijgen op. God is niet iemand voor wie je toch bang moet zijn. God is niet het lot. Hij is niet de storm die je vreest, dat is misschien je kwade geweten, maar het is niet God.

Als Elia na de gebeurtenissen op de Karmel dodelijk vermoeid en teleurgesteld in de woestijn zijn hoofd neerlegt om te sterven, zoekt God hem op. Is Hij in de windvlaag die de bergen splijt? Is Hij in de aardbeving? Is Hij is het vuur? Na alle natuurgeweld klinkt ‘het gefluister van een zachte bries’. (1 Koningen 19:12) Dan spreekt de HEER met Elia.

Is dat waar Jezus bij aansluit? Die angst diep in je, dat is God niet. Johannes zegt later ronduit dat God liefde is. En: ‘De liefde laat geen ruimte voor angst.’ (1 Johannes 4:18)

Als wij nu nog eens teruggaan naar Job. Moeten wij dan niet net als de vorige keer vragen: ‘Is dit wel echt Gods stem?’ Zit er misschien weer een dubbele bodem in het boek Job. Hebben wij misschien te snel aangenomen dat het inderdaad Gods stem is die klinkt vanuit die storm?

Het zou wel mooi zijn, als God zo almachtig zou zijn, ons af en toe omver zou blazen. En het zou wel mooi zijn als wij zo heldhaftig zouden zijn als Job, heroïsch overeind staan. Wat zou het fijn zijn, zo’n nadrukkelijk aanwezige god en zo’n heldenrol voor onszelf.

Ik weet het niet. Ik heb alleen gehoord van die mens die overeind stond tot het einde. Of kon Hij niet anders door de spijkers in zijn handen en voeten? Die ene mens die overeind stond, niet in de storm van de blazende almachtige god, maar in het zwijgen van zijn Vader. ‘Waarom hebt Gij mij verlaten?’

Hoe graag wij ook zouden willen dat God spreekt, antwoordt vanuit een storm, ons is niet meer gegeven dan onze Heer als antwoord op de vraag wie God is. Hij is geen held, geen Job. En zo is Hij ons nabij, in de stormen van ons bestaan, in het stormen van de tijden. Hij deelt ons lot. Dat is ons meer dan genoeg.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s