Zo arm als Job

Op zondag 3 juni preekte ik in de Barendrechtse Dorpskerk (zie boven) over Job 1 en 2. 

Het Bijbelboek Job plaatst ons voor de vraag hoe wij omgaan met wat ons overkomt, met het lijden in ons leven. Job zegt, geconfronteerd met het allerergste – alles kwijtgeraakt, zijn kinderen omgekomen, zijn vrouw die zegt: ‘Maak er toch een eind aan.’ – Job zegt: ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.’, en: ‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’

Jobs antwoorden gelden als de ideale antwoorden, als gelovige antwoorden. Misschien hebt u wel eens meegemaakt dat iemand die ook iets heel ergs overkwam Jobs woorden overnam. ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen…’ Daar kun je alleen maar heel veel respect voor hebben. Dat het iemand lukt om gelovig te aanvaarden wat hem is overkomen. Voorbij de boosheid van het slachtoffer, voorbij de sprakeloosheid, te durven vasthouden aan God, en aan Zijn goedheid.

Maar Jobs woorden kunnen ook irriteren. Vinden wij het acceptabel dat een vader die tien kinderen verliest dit zegt? ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen…’ Kan dat? Jobs woorden kunnen ook voelen als een vrome uitvlucht. Neemt Job niet veel te makkelijk afstand van zijn verdriet. Hij kijkt niet in de huiveringwekkende afgrond van zijn verlies, maar slaat ons wat al te vroom het oog naar boven…

Hoe zit dat nu met Job? Is hij een geloofsheld? Kunnen we hem als voorbeeld nemen? Het verhaal van Job komt niet alleen in de Bijbel voor. Er zijn meerdere verhalen uit het oude Oosten bekend die lijken op wat wij gelezen hebben. Voor die verhalen is het antwoord op de vraag of Job een geloofsheld is wel duidelijk. De vrome gelovige die op de proef wordt gesteld, maar desondanks blijft vertrouwen op zijn god. En daarvoor dan ook rijkelijk beloond wordt. Ook in de Koran is Job terug te vinden. En ook daar ligt alle nadruk op het voorbeeldige karakter van Jobs geloof. Job is het toonbeeld van geduld en wordt daarom als een van de profeten gezien.

Nu zou je ook op grond van de Bijbel kunnen beweren dat Job een voorbeeldig gelovige is. Ook de Bijbel kent het principe: wie goed doet goed ontmoet. De rechtvaardige zal het goed hebben, de goddeloze vergaat. We zongen Psalm 1. Maar, zoals zo vaak, is in de Bijbel niet alles wat het lijkt. Want waar de buitenbijbelse verhalen en de Koran na Jobs beproeving meteen doorgaan met zijn beloning, bestaat het boek Job in de Bijbel uit maar liefst 42 hoofdstukken. Na het gedeelte wat wij gelezen hebben dus nog 40 hoofdstukken.

In het hoofdstuk meteen na onze lezing ontmoetten we een allerminst vrome Job. Hij vervloekt zijn geboortedag. ‘Het zou beter zijn geweest wanneer ik nooit geboren was!’ Jobs woorden snijden door je hart. ‘Was ik maar gestorven als zuigeling…’ En zijn geloof… ‘Waarom heeft God mij in hemelsnaam het licht doen zien?’

Jobs vrienden wordt het te gortig. Hoofdstukken lang zullen zij op Job inpraten. ‘Het zal toch ergens goed voor zijn, Job. Je zult wel gezondigd hebben, dat moet wel. God straft toch niet zomaar?’ Keer op keer herhalen ze het. En evenzoveel keer ontkent Job het. ‘Het klopt niet dat dit lot mij treft, God heeft zich vergist. Laat Hij zich verantwoorden voor wat Hij mij aandoet.’

Nee, Job is geen voorbeeldige gelovige. En ergens zie je dat ook al aankomen in die eerste twee hoofdstukken. Want eerst zegt Job nog: ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.’ Het is de taal van de dogmatiek, de geloofsleer, het kloppende systeem. De blikrichting is van boven naar beneden, van God in de hemel naar de mens op aarde. In hoofdstuk 2 klinkt Job ook heel overtuigd, maar er zit wat ruimte in. ‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Hier is de blikrichting van beneden naar boven, van de mens naar God. En Job stelt niet, hij vraag, al heeft het veel weg van een retorische vraag.

Het is gaan schuiven in het leven van Job. Het rotsvaste geloof wankelt. Deze Job ‘rechtschapen en onberispelijk’, zo rechtschapen en onberispelijk dat hij zelfs voor zijn kinderen offert omdat hij alleen maar vermoedt dat ze zouden kunnen hebben gezondigd, deze Job redt het niet met zijn eigen rechtschapenheid en onberispelijkheid.

Jobs relatie met God komt onder zware druk te staan. Aan het eind van hoofdstuk 1 staat: ‘In dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe.’ (Naardense Bijbel) In hoofdstuk 2 klinkt het net anders: ‘In dit alles zondigde Job niet met zijn lippen.’ (idem) Hij zondigt niet met zijn lippen. Maar wat er zich ondertussen in zijn hart en ziel afspeelt…

Job redt het niet met zijn geloof. Hij zal het gevecht met God zelf aan moeten gaan. Schreeuwend naar een hemel die lang, hoofdstukken lang, gesloten blijft. Job diende God in een kloppend systeem en op een dag is dat alles weg.

God was heel lang het verlengstuk van Job zelf. Het sluitstuk op zijn even vrome als succesvolle leven. Job is de mens die God meent te kennen als degene die hem goed gezind is. Job is de mens voor wie God de garantie is dat de wereld klopt. Hij is goed genoeg om de losse eindjes van ons denken aan elkaar te knopen. Job is de mens die zo God klein maakt.

Maar God is geen stoplap, om het met een uitdrukking van Bonhoeffer te zeggen. Wie God is, laat zich alleen in het gevecht met Hem vinden. Of misschien is zelfs dat nog te logisch, te rationeel gezegd. Met God kun je alleen vechten. De stamvader van Israël, Jakob, strijd in het duister bij de Jabbok. Niet voor niets krijgt hij daar zijn nieuwe naam. Israël betekent ‘vechter met God’.

Job verandert van een vrome in een vechter. Zijn relatie tot God komt onder druk te staan. Is dat erg? Ja, dat is verschrikkelijk. Liever een God die je kent, waar je op kunt rekenen en waar je mee kunt rekenen. Wat heb je aan een God die zich verbergt? Wat heb je aan een God die maar doet?

Toch heeft Israël beseft dat het alleen zo kan. Dat het moet, dat je in de afgrond moet kijken, ja dat je erin moet springen, dat geloven een sprong is. Job is geen ideale gelovige, maar zo alleen redt zijn geloof het. God zij dank, bleef hij niet wie hij was.

Het moet opgemerkt worden wie verantwoordelijk is voor die verandering bij Job. Waar gaat de wissel om in zijn leven? Wie trok genadeloos, maar heilzaam de sluitsteen uit Jobs oude geloof?

Vaak is Jobs vrouw verguisd. ‘Vervloek God toch en sterf.’ We hoorden erin dat deze vrouw zich distantieerde van haar zo zwaar getroffen man. Ja, dat ze afstand nam van God. Dat ze haar man uitdaagt zichzelf het leven te benemen. Als Job haar in zijn antwoord een dwaas noemt, dan zijn we het daar wel mee eens.

Maar zoals zo vaak verkijken wij ons op deze vrouw. Zij stelt Job namelijk precies de goede vraag. Haar vraag is bedoeld of onbedoeld de sleutel die het slot van Jobs oude geloof opendraait. ‘Waarom blijf je zo onberispelijk?’ Zij stelt de vraag naar het waarom van Jobs geloof. En dat is precies de vraag die Job nodig heeft om niet langer te vertrouwen op de antwoorden van de geloofsleer, maar om het gevecht met God en om God aan te gaan.

Waarom geloof je? Geloof je om je gemoedsrust? Geloof je om een goed mens te zijn? Geloof je om te blijven werken aan een betere wereld? ‘Waarom blijf je zo onberispelijk?’  Ook ons geloof is vaak zo steriel, zo bloedeloos, zo keurig, zo burgerlijk, zo netjes. De vrouw van Job bereikt met haar ene vraag meer dan zijn zogenaamde vrienden met hoofdstukken vol redeneringen. Je zal zo’n vrouw hebben!

Jobs geloof verandert door die ene nietsontziende vraag. Job verandert. Dat die vrienden hem niet herkennen heeft niet alleen te maken met zweren, het stof en het vuil. Job is een ander mens geworden. In niets meer de voorbeeldige vrome.

Job redeneert niet langer top-downvanuit de hemel. Hij is een schreeuw naar boven geworden. Hij heeft alleen zichzelf en de vraag van de mens op zijn lippen: ‘Waarom? Waarom?’

Misschien moeten we ook wel zo naar die hemelse scenes kijken. Die hemels veiligheidsraad waar God met Satan de toestand in de wereld bespreekt. Ik denk dat ze ons geschilderd worden als vraag. Geloof je dit? Houd je dit voor mogelijk? God en Satan die een beetje laconiek babbelen en en passanteen mens tot inzet van een soort weddenschap maken? Geloof jij ook van boven naar beneden? Denk jij ook te weten hoe het in de hemel toegaat? Ik denk dat die hemelse scenes satirisch bedoeld zijn. Ze steken de gek met een geloof dat het wel allemaal kan begrijpen en verklaren. Denk je nu werkelijk dat je zo het lijden enige zin kunt geven?

Aan het einde van het boek Job – zoveel kan ik u wel verklappen – vinden we geen hemelse scene. De Satan verdwijnt hier al van het toneel. Hij speelt geen rol, lijkt het boek Job daarmee te zeggen. We worden genadeloos op het verkeerde been gezet. Want dat zouden we wel willen hè, dat het toch allemaal een goede reden heeft? Dat je toch kan zeggen: ‘Ja, maar ik snap wel waarom het Job overkomt.’ We worden listig op het verkeerde been gezet. Ongemerkt komen wij in dezelfde positie als die vrienden. Wij denken net als zij, dat het toch ergens een reden heeft. We hebben ongelijk, zo zal blijken. Het leven is onrechtvaardig. Waarom? Ja, dat is de vraag. De vraag die ons mens maakt. Onvrome, onvolmaakte, berispelijke mensen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s