Kain (en Abel)

In de Dorpskerk van Barendrecht lezen we tijdens de kerkdiensten van Pasen tot Pinksteren uit Genesis 1-11. Daarom voor zondag 15 april een preek over Kain (en Abel). Gelezen werd Genesis 4:1-16 en Johannes 21:15-24.

Ik heb altijd gedacht dat Genesis 4 gaat over Kain en Abel. De twee zonen van Adam en Eva die model staan voor twee manieren van mens-zijn. Kain staat model voor de op zichzelf gerichte mens: het offer dat hij brengt is plichtmatig, hij slaat God waarschuwing in de wind, hij doodt zijn broer en zegt dat: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ Ja, dan ben je ver heen.

Abel staat voor de goede mens: hij offert een ‘eerstgeborene’, ‘het mooiste van de kudde’, voor Abel is alleen het beste goed genoeg voor de HEER onze God. Wat erg dat juist deze godvrezende onschuldige jongen doodgeslagen wordt.

Als je het zo bekijkt, is het ook begrijpelijk waarom God het offer van Kain afwijst en van Abel aanneemt. De schrijver van de nieuwtestamentische Brief aan de Hebreeën kan daarom ook beweren: ‘Door zijn geloof had het offer dat Abel aan God bracht meer waarde dan dat van Kaïn.’ En als je het zo bekijkt, dan is het aan ons om meer en meer op Abel te gaan lijken. Anders loopt het nog met je af als met Kain!

Maar misschien ligt het toch nog een tikje anders. Genesis 4 gaat niet over Kain én Abel. Genesis 4 gaat over Kain. Hij is de hoofdpersoon. Abel blijft een soort schim op de achtergrond.

Dat blijkt wel als je het begin van het verhaal goed leest. Het gaat om de geboorte van Kain. Adam heeft gemeenschap met zijn vrouw, Eva wordt zwanger en brengt Kain ter wereld. Hij is het kind van de eerste mensen, de eerstgeborene, Adam kwam voort uit de aarde, Eva uit Adams rib, maar nu wordt er voor het eerst iemand geboren. De eerste bevalling. Eva baart Kain. En Eva roept zijn naam uit en geeft ook een verklaring voor die naam. En daarna, bijna als voetnoot, zegt de verteller zoiets als: ‘O ja, en toen kwam ook Abel nog.’ Abel is van meet af aan “de broer van”.

Ook verschillen de betekenissen van de namen van die twee nogal. Kain, zo noemt Eva haar zoon. Kain betekent ‘smid’ of ‘speer’. Een man van staal, zeg maar.

Eva kiest voor Kain vanwege een ander woordgrapje. Kain lijkt op het Hebreeuwse werkwoord ‘qana’, wat ‘verwerven’ betekent. In de Nieuwe Bijbelvertaling zegt Eva: ‘Met de hulp van de HEER heb ik het leven geschonken aan een man!’ Maar dat klinkt wat al te veel als op een geboortekaart, het klinkt al te vroom. Eva zegt eigenlijk: ‘Ik noem hem Kain, ‘want verworven heb ik een man voor de HEER’. Zo van, de vorige moest Hij nog uit het stof van de aarde scheppen, maar déze heb ík voortgebracht. De HEER kan er wat van, maar ik ook!’

Noem het stoer, noem het hoogmoedig, wat Eva hier zegt, maar Kains naam wijst er op dat hij de mens is zoals hij is. Voortgekomen uit een vrouw, niet direct door de HEER geschapen, maar verwekt door een man en gebaard door een vrouw. Net als wij. Kain, dat zijn wij.

O ja, en dan Abel nog natuurlijk. We waren hem al bijna vergeten. Zijn naam betekent ‘damp’. En in de Bijbel is je naam altijd wat je bent. Deze broer van, dit nakomertje, is een damp, een flard, een pluisje, een wolkje, een droombeeld, hij staat in de schaduw van zijn broer, is geen schim van zijn Kain.

Als Kain de hoofdpersoon is en als wij Kain zijn, dan is het dus ons offer dat door de HEER wordt afgewezen. Of afgewezen? Er staat dat God er geen oog voor heeft. Onze opofferingen voor Hem, onze godsdienstigheid, ons geloof, Hij kijkt er niet eens naar. Dat is nog erger dan dat Hij zegt dat het voor Hem niet goed genoeg is of zo. Dat zouden we misschien nog kunnen hebben. Wij zijn ook maar mensen, we doen ons best, en we weten ook wel dat je best doen niet altijd goed genoeg is… Maar genegeerd worden…

Dat is natuurlijk geweldig frustrerend. Dat God geen oog voor je heeft. En dan zegt Hij ook nog heel bijdehand: ‘En niet zondigen hè, Kain!’ God negeert onze godsdienst en dan stelt Hij ook nog eisen aan ons. Het is niet eerlijk, van geen kanten.

En dan is daar ook nog dat offer van Abel. Abel offert van de eerstgeboren dieren van zijn kudde. Ook dat is een klap in het gezicht van de grote eerstgeborene Kain. Abel offert meer van Kain dan Kain zelf. Het is werkelijk onuitstaanbaar.

Kain slaat uit woede zijn broer Abel dood. Abel, het nakomertje. Abel, de damp. Abel, geen schim van zijn broer. De vraag is dus: wie vermoordt Kain nu eigenlijk? Of, om het spannender te maken: wie slaan wij dan dood?

Je ziet die twee gaan, het veld in. Kain en Abel. De man van staal en de damp. Ik zie hoe Kain uithaalt, zijn armen maaien door de lucht. Kain vecht met zijn schimmige broer. Kain vecht met de schaduw die na hem komt dood. Als je door de spleetjes van je ogen kijkt, lijkt het wel alsof Kain met zichzelf in gevecht is.

Is Kain die Abel doodslaat, de mens die niet kan leven met zijn alter ego, zijn andere ik? Abel is de zachte kwetsbare kant van Kain. Het is de kant die hij niet kan uit staan. Abel is de zorgzame kant van Kain. Abel is niet toevallig schaapherder natuurlijk. En als God Kain aanspreekt na de moord van zijn broer, zegt hij: ‘Ben ík mijn broeders hoeder/herder?’ Kain vermoord zijn herderlijke zelf. Kain, dat is de mens die zijn herderlijke kant verzaakt. Als onze godsdienstigheid niet werkt, waarom zouden wij dan nog zorgen voor elkaar?

‘Waar is je broeder?’, vraagt God. Eerder vroeg Hij aan Adam: ‘Mens, waar ben je?’ Waar ben jij en waar is je broeder? Twee vragen in elkaars verlengde. Waar wij onszelf verbergen, raken wij ook onze broeder kwijt. Zo verliezen wij het paradijs en worden wij zwervers op aarde. Kain doolt en dwaalt over de aarde. Landbouwer zonder land, herder zonder kudde. Hij vestigt zich in Nod. ‘Dwaalspoor’ betekent die naam. De mens op een dwaalspoor.

Ook Petrus is alles kwijtgeraakt. Hij, man van stavast, hij verraadt zijn Heer, zijn broeder. ‘Ik ken hem niet.’ ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ Nu zit ook hij op een dwaalspoor daar bij dat Meer van Galilea.

Petrus, waar ben je? Petrus, waar is je broer? ‘Petrus, heb je mij lief?’ Christus wordt niet moe te vragen. Hij is dé Abel in onze wereldgeschiedenis. Een damp leek Hij. Veracht door de mensen, een man van smarten. Nietig en kwetsbaar. Gekruisigd, doodgeslagen in het veld van de wereld.

Maar het houdt niet op. ‘Weid mijn lammeren. Hoed mijn schapen.’ Wordt opnieuw herder. Petrus wordt net zo kwetsbaar als Kain de wereld ingestuurd. Er komt een dag dat hij niet meer zelf bepaalt waar hij heen wordt gebracht. Daar zal hij het mee moeten doen.

Daar zullen wij het mee moeten doen. Als Petrus wordt de gemeente op weg gestuurd. Petrus is niet voor niets de rots waarop Christus zijn kerk bouwt. Opnieuw worden wij herders in de kring rondom Schrift en Tafel. Hoeders van onze zusters en broeders. Opnieuw wordt Abel geboren in ons. Mensen van niets, een schaduw in deze wereld. Maar mensen gedoopt in Christus doop, met Hem gestorven en opgestaan. Dwars door de dood zijn wij beschermd. De doop is ons Kainsteken. Daarmee doen we het.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s