Zijn wil is wet

 

Onderstaande preek hield ik vandaag in de Dorpskerk te Barendrecht. Gelezen werd Exodus 20:1-17, Romeinen 7:14-25 en Johannes 2:13-22.

‘Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.’ ‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?’ Meestal slaan we de lezing uit de nieuwtestamentische brieven over. Maar vandaag niet. Vandaag hebben we die lezing nodig.

We hebben haar nodig om de link te leggen tussen de oudtestamentische lezing en de evangelielezing. Want op het oog hebben de Tien Geboden en de tempelreiniging niet zo veel met elkaar te maken. De Wet, zoals die vroeger zondag aan zondag gelezen werd, en die wonderlijke geschiedenis waar Jezus Christus in een zeldzaam moment van agressie de handelaars en wisselaars uit het huis van zijn Vader jaagt, wat hebben die twee bekende teksten nu met elkaar te maken?

Maar doordat Paulus tussenbeide komt, vallen de puzzelstukken op hun plaats. Gods wet, Gods goede wet, zijn heilzame tien woorden ten leven, zij hebben het moeilijk onder ons. Er zijn ook andere wetmatigheden. ‘Innerlijk stem ik vol vreugde in met wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik een andere wet.’ De wet van de zonde, noemt Paulus dat. En die wet heeft ook het tempelbedrijf in zijn greep.

Zo kunnen we met de woorden van Paulus een verband leggen tussen de ene lezing en de andere. Maar Paulus’ woorden doen nog meer.Als je leest over de tempelreiniging zou je kunnen denken: O, o, o, wat maken ze er ook een potje van in de tempel. Al die handelaars en wisselaar, dat hoort toch ook niet. Foei! Hoe durven ze?

Maar het gaat in de tempelreiniging niet om wat anderen doen, maar het gaat om ons. Wat daar in de tempel gebeurd is, kun je niet op het conto schrijven van de corrupte beheerders van de tempel, van de elite die Jeruzalem bestuurt en de zaken naar haar hand zet. Dat zou nogal makkelijk zijn. We zijn daar ook heel goed in. Wijzen naar een ander. ‘Politiek is’, zo zei Maarten van Rossem ooit, ‘de kunst een andere groep verantwoordelijk stellen voor een probleem dat je zelf hebt veroorzaakt.’

Maar omdat wij net Paulus hebben gelezen, begrijpen wij dat het niet die handelaars en wisselaars zijn. Zij zijn maar een voorbeeld van wat die wet van de zonde met mensen doet. Zij zijn niet de uitzondering, zij zijn de regel. Zij zijn niet de mens zoals die kan worden, zij zijn de mens zoals hij is. Zoals wij zijn dus.

Paulus berooft ons van onze onschuld. Wij zijn niet de vriendelijke toeschouwers bij het drama van de geschiedenis. Wij zijn niet de goedwillende mensen waar we ons zelf graag voor houden. Wij zijn er ongelukkig aan toe. ‘Ik ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen.’

Wat is nu die wetmatigheid die ons zo hindert? Wat staat ons mensen in de weg? ‘Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’

Jezus verjaagt handelaars en geldwisselaars uit de tempel omdat zij volgens Jezus het huis van zijn Vader tot een markt maken. Wij weten daar wel iets van, de markt. Het is een soort toverwoord. Al onze problemen, de markt zal het wel oplossen. Marktwerking dat is het. In de zorg, bijvoorbeeld. Maar wie daar ook beter van worden, het zijn in ieder geval niet degene die zorg verlenen of ontvangen.

Maar als lezers van Paulus weten wij dat wij daar niet buiten staan. De wetmatigheid van de markt beheerst ook ons. En dat probleem is dat het bij op de markt altijd om onszelf draait. De markt maakt egoïstisch, ik-gericht. De Wet van God wil ons richten op de dienst aan God en de naaste, maar op de markt van het leven raken wij altijd weer om mijzelf. Wat heb ik er aan? Wat levert het mij op?

Die wet zie je overal om je heen. In oneerlijke systemen en de uitbuiting van de aarde. En je ziet hem ook in jezelf. Soms heel duidelijk, als we zo makkelijk boos en verongelijkt zijn. Soms heel subtiel, dat het toch weer draait om jezelf. Zelfs onze godsdienstigheid, ons geloof is niet immuun voor de wet van de zonde. Als ons geloof wordt tot zelfbevestiging. Als ons geloof er is om ons te troosten. Als ons geloof er vooral is om onze gelovigheid zichtbaar te maken. Zelfs het mooiste is vatbaar voor het slechtste.

‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden van dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? God zij gedankt, door Jezus Christus, onze Heer.’

Jezus Christus doorbreekt de wetmatigheden. Hij houdt zich niet aan de regels. Hij doet wat niet hoort, niet past, niet redelijk is. Hij doet wat Hij wil. Wij doen vaak niet wat wij willen, maar Hij wel. Hij doet wat Hij wil. Zij wil is wet. Hij heeft volkomen controle over zichzelf. Juist zijn uitbarsting van aan waanzin grenzende woede in de tempel bewijst dat.

Hij doet wat Hij wil. En zo doet Hij wat God wil. Hij houdt zich niet aan de regels, maar houdt wel Gods wet. Te midden van het woeden der gehele wereld, gaat hier iemand gewoon zijn goddelijke gang. Het goede dat Hij wil dat doet Hij, het kwade dat Hij niet wil doet Hij niet.

Met Hem trekken wij dieper de Veertigdagentijd in. Verder op zijn weg die eindigt in een totale zelfgave. Hier ontmoeten wij iemand die loskomt van de vraag: ‘Wat levert dat mij op? Wat heb ik daaraan?’ Hier ontmoeten wij Hem die niets afschuift, die niet wegkijkt, die de volle verantwoordelijkheid neemt.

‘Breek deze tempel af en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ Hier spreekt iemand die volkomen beschikbaar is. Die helemaal samenvalt met zijn boodschap.

En zo, horen wij op de derde dag, doorbreekt Hij de wetmatigheden die ons naar beneden halen, zo redt Hij ons bestaan van de dood, zo wordt alles anders. Zo is er ook voor ons een weg. Achter Hem aan.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s