Hieronder de preek die ik gistermorgen hield in de Barendrechtse Dorpskerk. Gelezen werden Openbaring 19:6-16, Jacobus 1:22-27 en Johannes 16:23b-30. Ik gaf ook nog een korte toelichting op deze lezingen. Die staat onder de tekst van de preek.

‘Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven.’ Daar zijn nogal wat vragen bij te stellen. Er zijn toch overduidelijk gebeden die niet verhoord zijn? Hoe zit het daarmee dan? Had de bidder te weinig geloof? En hoe zit het eigenlijk met het gebedsleven van de gemiddelde christen in de 21e eeuw? Verwachten wij nog wel iets van het gebed? Of zijn we zo “realistisch” geworden dat we eerder gek zouden opkijken als ons gebed op een dag wél werd verhoord? En wat is bidden eigenlijk?

Zo’n zondag Rogate brengt ons zo al snel bij ons tekort. Bidden we eigenlijk niet veel te weinig? En als we bidden verwachten we dan ook echt wat? En die hele vooronderstelling van het gebed, namelijk dat er een God is die hoort, geloof je het zelf? Ik merkte deze week dat hoe langer ik over bidden nadacht, des te minder zin ik had om er over te preken. Ik verdwaalde in al mijn vragen. Wat doe je dan? Dan zoek je in je boeken naar iets wat helpt. En er lag een boek met teksten van Luther op mijn bureau.

Luther schreef in 1535 een boekje over het gebed. Hoe men bidden moet. Brief voor meester Peter Barbier. Het boekje heeft de vorm van een brief aan een concrete persoon, ene Peter die kennelijk barbier – kapper – van beroep is. Via deze Peter richt Luther zich tot iedereen die vragen heeft over het gebed en daarmee dikwijls vastlopen. Opvallend is dat Luther zich richt tot een gewone kapper. Bidden was in de Middeleeuwse kerk een zaak van de geestelijke elite geworden, van priesters en monniken. Nee, zegt Luther, bidden kan iedereen, zelfs de barbier op de hoek.

De kern van Luthers theologie is natuurlijk de rechtvaardiging door het geloof. Een mens wordt gered door op God te vertrouwen en niet door wat hij presteert of is. In het boekje aan Meester Peter schrijft Luther dan ook dat ons gebed geen verdienste is waarmee wij bij God in een goed blaadje komen. Met een mooi gebed verdienen wij evenveel als met een slecht gebed: helemaal niets. En bidden is iets waarin je altijd een beginner blijft. Luther vertelt Peter Barbier eerlijk hoe moeilijk hij het bidden soms vindt. De grote Luther schrijft dat het gebed er vaak bij inschiet omdat er zoveel is te doen, dat hij ‘door allerlei zaken en gedachten koud en onwillig wordt om te bidden’. Moet je dan jezelf warm bidden? Nee, zegt Luther. God zet de eerste stap. Hij reikt ons de hand. Aan ons is het slechts om met eenvoudige woorden de Geest de ruimte te geven om ons hart te verwarmen en het vuur in ons te ontsteken.

Hoe doe je dat? Luther laat vervolgens zien hoe hij naar aanleiding van een zin uit het Onzevader of uit de Tien Geboden open en eerlijk tegen God zegt hoe hij er voor staat en wat hij nodig heeft. Dat is Luthers tip voor het gebed. Spreek eenvoudig uit wat zo’n tekst bij je oproept. En zegt Luther daarbij: maak het niet te langer, doe het liever kort en vaak. Als je te lang bidt, zegt Luther tegen onze barbier, dan gaat dat ten koste van de concentratie. En jij, meester Peter, weet dat je wat je doet met aandacht moet doen, anders snijdt je iemands keel nog af.

Wat ik leer van Luther is om de woorden van Jezus over het gebed niet te horen als ontmoedigende woorden, maar juist als aanmoediging, als uitnodiging. Een uitnodiging om niet bij mijzelf te blijven en bij mijn tekort, maar om uit mijzelf te komen, uit mijn eigen benauwde en vertwijfelde gedachten, en mij te richten op de vreugde van het geloof. Ik heb mijn biddenloosheid en mijn prekenloosheid maar in een eenvoudig gebed bij God gebracht. Dat hielp. Een beetje. Denk ik. Misschien is bidden ook wel net als eten en beminnen, je moet het doen in plaats van het te proberen te doorgronden.

Bidden is – zo begreep ik van Luther – een relatiewoord, een relationeel begrip. Het gebed heeft een inhoud, zeker, maar bidden is in de eerste plaats contact maken. Of beter gezegd, je bewust worden dat er contact met je gemaakt wordt. God strekt zijn hand uit, voordat wij de onze vouwen.

In Johannes 16 gaat het ook daarover. ‘Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven.’ God wordt Vader genoemd. Daarmee wordt zijn relatie tot Jezus en tot ons omschreven. Een relatie die gekenmerkt wordt door liefde. Bidden is je aan Gods vaderlijke liefde toevertrouwen. Bidden is vertrouwen op zijn betrokkenheid en zorg, op zijn wijsheid ook. Vertrouwen dat Hij het goede met je voor heeft.

Die relatie tot de Vader wordt mogelijk gemaakt door Jezus. Dat wordt tot uitdrukking gebracht door zijn woorden ‘in mijn naam’. Bidden in Jezus’ naam, dat is volgens onze evangelielezing, bidden in het besef dat Hij van God gekomen is en naar God is teruggegaan. Dat is de kern van de theologie van Johannes. Jezus komt van God en Hij keert naar God terug om juist zo ons heel nabij te zijn. Niet voor niets zeggen de leerlingen nadat Jezus zo over zichzelf heeft gesproken: ‘Kijk, nu gebruikt U eens geen versluierende woorden, nu spreekt U onomwonden.’ Dit is in klare taal de kern van wat Jezus over zichzelf te zeggen heeft.

En nu moeten wij er op letten dat we van deze relatie niet weer een theorie maken. Theologische reflectie en begripsverheldering is prima, maar Jezus heeft het hier over relaties. Het gaat er in het geloof niet om dat je nu je handtekening zet onder wat Jezus hier zegt, maar dat je er naar leeft. Het gaat er niet om dat je het kunt begrijpen of bewijzen, het gaat er om dat je vertrouwen hebt. Vertrouwen dat God uitgerekend in die Jezus onder ons is gekomen en dat Hij door Hem ons nog altijd rakelings nabij is.

Dat vertrouwen spreekt uit ons gebed. En dat vertrouwen spreekt ook uit het vieren van het avondmaal. Brood en wijn delen als teken van zijn aanwezigheid. Niet voor niets vindt het gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen plaats als ze aan tafel zitten. Ze vieren hier het laatste avondmaal. Jezus houdt zijn afscheidsrede. Een afscheidsrede die je beter een nabijheidsrede kunt noemen. Jezus gaat wel weg, maar Hij is meer dan ooit aanwezig. Dat is ook onze situatie. Wij hebben een Heer in de hemel – beeldtaal, geloofstaal – dat vieren we donderdag, maar Hij is niet ver weg. Je kunt Hem aanspreken. Je kunt hem aanspreken in het vertrouwen dat je zo God zelf aanspreekt. Om dan te ontdekken dat Hij ons allang aangesproken heeft.

We volgen nu al een tijdje het Luthers leesrooster. Het is soms even zoeken op welke manier de lezingen bij elkaar zijn gekozen. Op het eerste gezicht lijken de lezingen vaak niets met elkaar te maken te hebben. En als vervolgens dan ook nog blijkt dat de lezingen geen gedeeld theologisch thema hebben, wordt het nog lastiger. Maar we worden steeds handiger. Het lijkt er op dat je niet moet zoeken naar een thema en naar theologische dwarsverbanden. Het gaat vaak meer om kernzinnen die passen bij de naam van de zondag. Laten we eens kijken hoe dat vandaag zit.

Want ook vandaag treffen we op het rooster drie teksten en een psalm die op het eerste gezicht niet meteen met elkaar samenhangen. Maar als we bedenken dat deze zondag Rogate heet – Rogate betekent ‘bidt!’ – en als we bedenken dat deze zondag in de voorreformatorische tijd een soort biddag voor gewas en arbeid was, dan gaan we wellicht wat meer snappen van de keuze voor deze lezingen. De teksten gaan niet allemaal over bidden, maar met elkaar zeggen ze er toch iets over.

De eerste lezing is deze keer niet uit het Oude Testament, maar uit Openbaring. Wie op de Bijbelkring over dit boek hoorde of in het leerhuis, die heeft wel begrepen dat dit boek zo sterk leunt op het Oude Testament dat het onderscheid tussen beide testamenten misschien maar heel klein is.

In de lezing klinken de woorden: ‘Je moet God aanbidden.’ Dat is niet het thema van de lezing, maar het is een kernzin. Een kernzin die ons vandaag zegt dat het gebed een opdracht is. ‘Je moet God aanbidden.’ De antwoordpsalm, 72:10, gaat hier op door. ‘Want wie zijn hulp verlangt, Hem aanroept in gebeden, verlost Hij uit de angst en leidt Hij tot de vrede.’ Het gebed is dus een opdracht vol belofte. Als je het doet dat kon er nog wel eens wat gebeuren. Het is dus heel belangrijk om die opdracht ook uit te voeren. In de volgende lezing, die uit Jakobus, klinken dan ook de woorden: ‘Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen.’ Er komt dus vanuit de brieflezing een streep onder de opdracht. In de evangelielezing ten slotte volgt een streep onder de belofte als Jezus zegt: ‘Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven.’ De boodschap van de lezingen van vandaag is dus: ‘Als je bidt, doe je wat God wil, en je mag van Hem verwachten dat Hij je gebed verhoort.’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s