Categorieën
Preek

Internationale vrouwendag

Lees hieronder de preek die ik vanmorgen hield in de Dorpskerk in Barendrecht. Op het rooster stond een lezing uit Matteüs 15:21-28.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, zusters… en broeders,

Op deze zondag na Internationale Vrouwendag ontmoeten wij een bijzondere vrouw. Een vrouw die ons voorgaat in geloof. Een vrouw om op een voetstuk te zetten.

Vrouwen vormen iets meer dan 50 procent van de wereldbevolking. Vrouwen doen 66 procent van al het werk. Vrouwen verdienen echter maar tien procent van het wereldinkomen en hebben maar een procent van alle bezittingen. Van de armen op de wereld is driekwart vrouw. En dat percentage geldt ook voor het aantal vluchtelingen dat vrouw is.

Dat zijn de cijfers voor de wereld. Is het in Nederland beter? In Nederland verdienen vrouwen gemiddeld 18 procent minder dan mannen. Van de 150 Kamerleden is maar 39 procent vrouw. En wie het lijsttrekkersdebat vorige week keek, zag liefst een vrouwelijke lijsttrekker.

De vrouw die wij vanmorgen ontmoeten heeft helaas geen naam. We weten alleen waar ze vandaan komt en waar ze woont. De geschiedenis speelt zich af in de buurt van Tyrus en Sidon en Matteüs noemt de vrouw ‘een Kanaänitische’. Ze is dus een afstammeling van de oorspronkelijke bewoners van Kanaän. Ze is dus niet-joods, maar ze heeft wel heel heel oude wortels in het land. En ze woont in een gebied dat slecht bekend staat. De omgeving van Tyrus en Sidon. Grote, rijke, machtige steden die al sinds mensenheugenis in conflict waren met Jeruzalem.

Je zou deze vrouw vandaag de dag misschien een Palestijnse moeten noemen. Ik moest denken aan de Palestijnse vrouwen die ik ken. Diepgeworteld in het land en terecht gekomen in politiek conflict dat het hune niet is. Geteisterd, maar niet gebroken. Dat ook.

Want er is nog iets wat deze Kanaänitische tot Palestijnse maakt en dat is haar standvastigheid en vasthoudendheid. Ik was ooit in Bethlehem in het Sumud-huis, als je uit het raam keek zag je de muur. Sumud is Arabisch voor volharden. En dat Sumud-huis ontmoeten de vrouwen van Bethlehem elkaar. Ze praten, drinken thee, zingen, dansen en helpen elkaar in dat huis. Ze vertellen zo de verhalen door. Het verhaal hoe het was, het verhaal van hoe het is en het verhaal hoe het ooit worden zal. En zo houden ze vol, verliezen ze de moed niet. Zo lukt het ze om niet apathisch te worden, of agressief. Mannen geven de moed op of grijpen naar de wapens. Diep van binnen vinden die vrouwen in Bethlehem een nooit opdrogende bron van uithoudingsvermogen. De wil tot leven. De wil tot voortbestaan. Zoals misschien wel alleen vrouwen dat kunnen.

Ook de Kanaänitische vrouw is standvastig. Zij heeft over Jezus gehoord. En ze heeft op die verkondiging gereageerd met geloof. En ze komt en roept Jezus aan: ‘Kyrie eleison! Heer, ontferm U!’ ‘Mijn dochter…’ Door demonen bezeten zijn is een typisch heidense ziekte. Joden weten: zonder Israëls God en zonder zijn goede geboden slaat de gekte al gauw toe. Als je je niet vult met Gods woorden, dan staan de duistere machten in de rij om die leegte op te vullen.

De vrouw lijkt zelfs dat te begrijpen. Het heil is uit de joden. Ik moet naar die Jezus toe. Niet de duiveluitdrijvers van mijn eigen volk, niet de wonderdokters en de tovenaars uit Tyrus en Sidon, nee, Jezus kan mijn kind redden. Hij is echt machtiger dan de demonen en Hij kan er ook iets echts voor in de plaats brengen. Alleen Hij. Zonder Hem is mijn kind verloren. Heer, ontferm U!

En Jezus zwijgt. Geen woord komt over zijn lippen. Hij doet alsof ze niet bestaat. Luther heeft in een prachtige preek over dit gedeelte gezegd dat het zwijgen van Christus ook de ervaring van een gelovige kan zijn. Je hebt over Hem gehoord, misschien wel keer op keer. Je hebt gehoor gegeven aan wat je werd verkondigd. Je begreep je gevoel van verlorenheid, maar je hoorde ook dat het daar niet bij hoefde te blijven. En diep in je ontstond het geloof, het vertrouwen dat Christus je kan redden, kan bevrijden. En zomaar ontstond het verlangen om Hem te volgen, in alles. En dan, als de demonen zich aandienen, als de stormen over je leven trekken, dan roep je Jezus aan. Heer, ontferm U! Ik geloof dat U mij kunt redden, redt me dan ook… En Christus zwijgt.

En het wordt nog gekker. De leerlingen vragen Jezus de vrouw maar te geven wat ze vraagt. Dat is wat ze bedoelen met hun dringende oproep: ‘Stuur haar toch weg.’ Maak je van haar los, staat er letterlijk. De leerlingen werpen zich op als haar advocaten, ja ze doen voorbede. Geef het haar, dan ben je van haar af. Het doet denken aan die gelijkenis die Jezus elders vertelt over die volhardende weduwe en die onrechtvaardige rechter. In de gelijkenis geeft de rechter de vrouw uiteindelijk maar wat ze vraagt, maar Jezus is hier onvermurwbaar. De voorbede van de leerlingen wordt niet verhoord.

‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ Jezus’ woorden passen bij het wereldbeeld van toen. Je had joden en je had heidenen. Die laatste waren sowieso verloren. De Mensenzoon zou komen om de wereld te oordelen. En voordat hij dat deed zou hij de afgedwaalde joden terug te brengen tot God. Zij kregen nog een tweede kans, zo vlak voor het laatste oordeel. En zo zag Jezus ook zichzelf. Voor die vrouw was er voor Hem bij voorbaat geen redden aan.

Dus ook als die vrouw dichterbij komt, Hem eer bewijst en Hem nog eens bidt: ‘Heer, help mij!’, blijft het antwoord: ‘Nee.’ Het is een heel hard nee. Jezus wijst de vrouw keihard op haar heidense komaf door te spreken over honden. Honden waren onreine beesten. Jezus koeioneert de vrouw.

‘Wat zouden wij doen als God ons zo’n streek zou leveren?’, vraagt Luther zich af. Goede vraag. Wat zouden wij doen als uitgerekend degene in wie wij geloven hard is voor ons? Wat als Hij zo heel anders doet dan wij hadden verwacht op grond van wat we over Hem gehoord hadden? Wat als God zwijgt? Wat als Hij ons afwijst? Worden we boos? Geven we het op? Als God zo is, laat dan maar…

De vrouw wordt niet boos en ze weet ook niet van opgeven. Als een judoka pakt ze Jezus’ aanval over en met één, onverwachtse beweging legt ze Jezus op de grond. Ippon. ‘De honden eten toch de kruimels die van tafel vallen?’ De vrouw houdt vast aan het eerste woord dat ze over Jezus gehoord heeft. Dat Hij goed is en mensen redt, dat Hij bevrijdt en het goed maakt. Dat is geloof: zelfs wanneer alles tegen je lijkt, al zijn er duizend redenen om God los te laten, toch blijven bij dat eerste woord van liefde dat je hebt gehoord.

En Jezus kan niet anders dan zich gewonnen geven. ‘U hebt een groot geloof.’ Jezus zegt het met verbazing en verwondering. Hij had er niet op gerekend dat deze heidense zo zou reageren. En het heeft Jezus’ missie veranderd. Verloren schapen waren er niet alleen onder de joden. Sinds deze vrouw zo dapper en vermetel sprak tegen Jezus, is Hij er geweest voor alle verloren schapen. Deze vrouw heeft Jezus gemaakt tot wat Hij is, redder van de wereld, met een hart waar ruimte is voor ieder mens.

Deze vrouw is een held. Een geloofsheld. Zij is één van de oermoeders van de kerk uit joden en heidenen. Zij gaat ook ons voor in geloof. Het geloof dat er meer ja is dan nee. Het geloof dat zelfs in het nee zo veel ja schuilt. Het geloof dat Gods oordeel genade is. Het geloof dat vasthoudt aan wat ons verkondigd is over Gods goedheid, zelfs al lijkt alles het tegendeel te bewijzen. Het geloof dat het gevecht durft aan te gaan met God.

‘De kunst is’, zo schrijft Luther, ‘om ja te zeggen tegen Gods oordeel.’ Ja,  Ik ben een mens opgesloten in zichzelf. En mens vol leegte, en zo makkelijk vol van zichzelf en vol van zoveel wat niet goed is. Ja, ik ben wat de Bijbel noemt een zondaar, U heeft gelijk. Maar geef me dan ook het recht van een zondaar, namelijk het recht te mogen vertrouwen op uw erbarmen. Maak dan ook wat ik als eerste over U gehoord hebt, dat U liefdevol bent en trouw, maak dat waar!

Vandaag hijsen we deze Kanaänitische op het schild. Deze volhardende vrouw. Zoals er zo veel volhardende vrouwen zijn. In Palestina, in Israël, overal ter wereld. En onder ons. Laten we hen in ere houden.

En we eren hen denk ik nog het meest door net als zij vol te houden, te blijven geloven, te leven van de kruimels. Dat is ongebruikelijk in onze tijd van overvloed en genot. Alles is altijd overal voor handen. Maar vult het ook? Eén kruimel ontferming van die vreemde joodse man en zijn God van Israël vult meer dan de overvloed in het Tyrus en Sidon van onze dagen. Op weg naar Pasen is dat de vraag: kun je toe met weinig, neem je genoegen met een beetje?

Volgende week vieren alle wijken van onze protestantse gemeente het avondmaal. Een stukje brood, een slokje wijn. Kruimels die van de tafel afvallen. Heb je de nederigheid daar genoegen mee te nemen? Durf je dat als genade aan te nemen? Dat vraagt om een grootse kleinheid, en om gelovig volhouden. Wie dat kan opbrengen krijgt zomaar te horen: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’

Amen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s