Preek zondag 12 februari 2017

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, zusters en broeders,

Preken over een gelijkenis vind ik net zoiets vreselijks als een goede grap uitleggen of een mooie film navertellen. Je moet een goed verhaal voor zichzelf durven laten spreken, vind ik. Een gelijkenis, of een grap, of een film, wie daar iets over gaat zeggen, legt een gebrek aan vertrouwen aan de dag. Je zegt eigenlijk: ‘Ik vertrouw er niet op dat deze gelijkenis, of grap of film, goed begrepen zal worden.’ En tegen je publiek zeg je: ‘Ik durf er niet op te vertrouwen dat u het goed begrijpen zal.’

Toch zal het moeten op deze zondag Septuagesima, deze zondag waarop we beginnen af te tellen naar het grote feest van Pasen toe. De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard. Een gelijkenis die niet moeilijk na te vertellen valt. Het is niet overdreven ingewikkeld wat er gebeurt. Wat wel is ingewikkeld is, is wat de gelijkenis betekent.

Velen hebben zich er het hoofd over gebroken. Wie is toch die landheer en waarom doet hij wat hij doet? En als we aannemen dat die landheer God is, wat een voor de hand liggende aanname is, wat zegt deze gelijkenis dan over God? Dat Hij even goed is voor iedereen? Dat is niet verkeerd, maar niet echt opzienbarend. Of dat Hij met zijn genade doet wat Hij wil? Daar is Hij God voor. Of dat Gods logica anders is dan onze logica? Wist ik ook al. Of dat God wil dat iedereen genoeg heeft?

Hoe meer vragen je over deze gelijkenis stelt, des te verder komt het allemaal van je af te staan. Dat heb ik sowieso met deze gelijkenis. Ik word er niet vrolijk van. Het pakt me niet. Er zit niet iets in waardoor een loflied in je opwelt of er spontaan een gebed uit je mond vloeit.

Dat komt denk ik door de nadruk die wordt gelegd op het negatieve, vooral naar het einde van de gelijkenis toe. Kijk, in het begin is het allemaal wel in orde. Die landheer die van zonsopgang tot vlak voor zonsondergang telkens nieuwe arbeiders zoekt voor de oogst van zijn druiven. Heel de dag is hij in de weer om arbeiders te vinden. Hij wil maximaal oogsten en tegelijkertijd stelt hij velen in staat hun dagelijkse kost te verdienen. Allemaal prima. De dialoog tussen de landheer en de arbeiders van het elfde uur vind ik zelfs ontroerend. ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’ roept hij verbaasd. ‘Niemand wilde ons in dienst nemen,’ klinkt het ontgoocheld. Hier klinkt de stem van hen die niet rendabel worden geacht en je hoort dat ze het zelf ook beginnen te geloven. De landheer roept hen resoluut uit hun gevoel van nutteloosheid: ‘Gaan ook jullie naar de wijngaard.’

So far so good. Maar dan die afrekening. Het lijkt er op dat die landheer moedwillig zijn arbeiders van het eerste uur wil schofferen. Dat hij ieder hetzelfde wil betalen, dat kan, maar waarom dan die omgekeerde uitbetaling? Waarom niet gewoon die arbeiders van het eerste uur hun loon betalen – ‘bedankt voor je harde werk, graag tot een volgende keer’ – en dan uiteindelijk tegen de arbeiders van het laatste uur zeggen: ‘Weet je wat? Jullie krijgen ook gewoon een dagloon!’ Iedereen blij, niemand voelt zich tekort gedaan, klaar.

Maar zo gaat het dus niet. En dus krijgt de ontevredenheid en de boosheid alle ruimte om uit te groeien tot bittere verwijten. En die worden dan weer gepareerd met even bittere en bijtende tegenargumenten. ‘Ik doe je toch geen onrecht? Je krijgt toch wat je beloofd is? Kan je het niet hebben dat ik goed ben?’

Het is allemaal zo negatief. En Jezus zegt dat het zo is met het koninkrijk van de hemel. Zo gaat het er aan toe tussen God en mens, zegt Jezus. Ik vind het helemaal niet fijn dat God en mens zo tegenover elkaar worden gezet. In onze lezing uit Maleachi was het ook al zo. ‘Jullie bestelen mij!’ zegt God. ‘Hoezo?’ zegt het volk. Bittere verwijten en vragen vol afstandelijkheid.

Moeten we nu zo op weg naar Pasen? Zijn dit nu de lezingen die ons op het goede spoor zetten? Zit er niet al genoeg bitterheid in onze samenleving? Is ons leven niet vol afstandelijkheid? We hebben behoefte aan een woord dat verbindt, aan een verhaal wat ons troost, waar we blij van worden!

Luther heeft heel wat keren gepreekt over deze gelijkenis. Hij had er bepaald géén moeite mee om uit te leggen wat het verhaal wil zeggen. Als je zijn uitleg bestudeert, zie je dat hij in de loop van de tijd telkens andere dingen in de gelijkenis ziet, zijn uitleg verdiept zich. In de jaren dat Luther midden in het conflict met de Kerk zit, zegt hij: ‘Die werkers van het eerste uur, dat zijn de Paus en de kardinalen. Zij werken voor God om er rijk van te worden. De werkers die later komen, dat zijn de priesters en de monniken die het volk geld aftroggelen. En wij, wij zijn de werkers van het laatste uur. Wij komen er nu bij, wij werken voor God alleen maar omdat God dat van ons vraagt.’ Luther gebruikt de gelijkenis voor zijn eigen gelijk. En eerlijk is eerlijk, hij had ook gelijk, de Kerk was ziek door de hebzucht van de geestelijken, dat zeggen zelf katholieken.

Later zegt Luther: ‘Die werkers van het eerste uur, dat zijn Abraham en Mozes. Zij werden als eerste door God geroepen. En daarna komen al die andere joden. En uiteindelijk komen wij christenen erbij. En voor God zijn wij nu zijn volk.’ Deze uitleg van Luther heeft ook zijn kwalijke kanten. Luther was net als zijn tijd erg antisemitisch. En de gevolgen daarvan zouden eeuwen later nog blijken.

Tegen het eind van zijn leven preekte Luther weer over de gelijkenis. En dan schrijft hij: ‘Ik heb nu al 20 of 30 jaar met preken en doceren, samen met vele anderen, veel arbeid verricht en vele zorgen doorstaan; maar daarmee verkrijg ik toch maar precies hetzelfde als de kinderen die vroeg gestorven zijn, en maar één uur in de wijngaard zijn werkzaam geweest. Ik zou het ook wel met lede ogen kunnen aanzien en kunnen klagen – God mocht het mij vergeven -, omdat Hij mij zo lang laat werken en zo laat zweten, terwijl ik daarvoor toch niets meer ontvangen zal dan een kind dat, nadat het gedoopt is, nog maar één of twee dagen leeft . . . Ik moet mij echter laten welgevallen dat God zo goed en barmhartig is, dat Hij aan hem die weinig werk doet evenveel geeft als aan hem die veel werk gedaan heeft.’

Het mooie van Luther is dat hij steeds eerlijker wordt in zijn uitleg van de gelijkenis. En dat hij de gelijkenis steeds meer op zichzelf betrekt. Hij houdt er rekening mee dat hij zelf zo’n werker van het eerste uur is. Zo iemand die snel meent dat hij iets te kort komt, zo iemand die zich niet kan verheugen in Gods goedheid en vrijgevigheid.

De negativiteit in de gelijkenis en ook in de lezing uit Maleachi confronteren ons met onze eigen negativiteit. En de vraag is of wij net als Luther durven in de spiegel te kijken. Durven we onder ogen te zien dat we vaak zo zuinig zijn met onze liefde? Dat verongelijktheid zo veel makkelijker gaat dan dankbaarheid? De tijd naar Pasen zegt dat God juist daar op in is gegaan, dat Hij daar zelfs aan ten onder is gegaan. En dat Hij dat overwonnen heeft. ‘Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ Ja God, eigenlijk wel. Maar we wennen er wel aan. Uiteindelijk.

Amen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s